RECHTBANK AMSTERDAM Wrakingskamer Beslissing op het ter zitting van 6 februari 2019 mondeling gedane en onder rekestnummer C/13/661692 / HA RK 19/52 ingeschreven verzoek van: [verzoeker] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op een adres te [ ], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [ ], raadsman mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam welke verzoek strekt tot wraking van mrs. B. Vogel, K.A. Brunner en A.R.P.J. Davids, leden van de meervoudige strafkamer, hierna: de strafkamer, respectievelijk de rechters. 1Verloop van de procedure 1.1. De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken : een van de behandeling ter zitting van 6 februari 2019 in de strafzaak van verzoeker door de rechtbank opgemaakt proces-verbaal met daarin onder meer opgenomen een verzoek van de raadsman tot het horen van de kroongetuige, de daarop door de strafkamer genomen beslissing, het mondeling gedane verzoek tot wraking en de gronden waarop dit berust; met het proces-verbaal meegezonden bijlagen bestaande uit een schriftelijke toelichting van het openbaar ministerie, een door de raadsman overgelegde pleitnota, een reactie van het openbaar ministerie (hierna verder: het OM) op de ter zitting onder meer door verzoeker gedane verzoeken tot het horen van de kroongetuige en opheffing van de voorlopige hechtenis; een e-mail van de raadsman van verzoeker van 6 februari 2019 met een aanvullende grond voor wraking; een schriftelijke reactie van de strafkamer op het verzoek tot wraking; 1.2. De rechters hebben niet in de wraking berust. 1.3. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 22 maart 2019 - gelijktijdig maar niet gevoegd- met een wrakingsverzoek afkomstig van een andere verdachte in dezelfde strafzaak. Op dit laatste verzoek wordt beslist bij afzonderlijke beslissing. Ter zitting waren aanwezig: verzoeker vergezeld door zijn raadsman mr. J. de Vries, de rechters, alsmede namens het OM mrs. C. de Jongh en J.G. Louman. Nadat de voorzitter verzoeker heeft medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is en de voorzitter heeft medegedeeld over welke stukken de Wrakingskamer beschikt, is de raadsman van verzoeker het woord gegeven. De raadsman heeft het verzoek nader toegelicht. Na een korte schorsing en hervatting van de behandeling hebben de rechters bij monde van de voorzitter hun zienswijze gegeven. Daarna heeft het OM zijn standpunt toegelicht. Na nog een ronde hoor- en wederhoor is - na verzoeker in de gelegenheid te hebben gesteld als laatste het woord te voeren - spreken, de behandeling ter zitting gesloten onder de mededeling dat de uitspraak zou worden gedaan binnen veertien dagen of zoveel eerder als mogelijk. 2De feiten 2.1. Verzoeker is verdachte in twee strafzaken die staan geregistreerd onder parketnummers 13/997037-18 (zaak A), en 13/997005-19 (zaak B). In de strafzaken hebben al eerder pro forma behandelingen plaatsgevonden waarvan de behandeling op 6 februari 2019 de vijfde is. Uit het van die behandeling opgemaakte proces-verbaal volgt dat door verzoeker een verzoek is gedaan tot het horen van de kroongetuige bij de rechter-commissaris. Na beraad in raadkamer heeft de strafkamer als vermeld in het proces-verbaal de navolgende beslissing (hierna: de beslissing) gegeven op het verzoek: (.....) “De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot het horen van de kroongetuige bij de rechter-commissaris in dit stadium af. De rechtbank acht het van belang dat de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten deel uitmaakt van het dossier, alvorens wordt aangevangen met het horen van de kroongetuige. De rechtbank ziet dat verdachte niet slechts vastzit op de verklaringen van de kroongetuige. De rechtbank sluit niet uit dat er, op het moment dat de overeenkomst deel uitmaakt van het dossier, delen van het verhoor van de kroongetuige bij de rechter-commissaris zullen plaatsvinden.” 2.2. Daarop heeft de raadsman van een andere verdachte een verzoek tot wraking gedaan bij welk verzoek en toelichting daarop (de raadsman van) verzoeker zich heeft aangesloten. 2.3 Op de door het OM gevorderde gevangenneming (en verlenging daarvan) van onder meer verzoeker in de zaak als hiervoor in 2.1 vermeld onder B staat in het proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2019 als beslissing van de strafkamer op die vordering het volgende vermeld: (.....) “De rechtbank is van oordeel dat de verdenking, bezwaren en gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A hebben geleid, ook nu nog aanwezig zijn. Ten aanzien van hetgeen in zaak B ten laste is gelegd overweegt de rechtbank dat zij ook de naam van verdachte niet heeft aangetroffen in de overgelegde verklaringen van de kroongetuige, maar dat de PGP-berichten van mei 2016 op dit moment erg belastend lijken te zijn voor verdachte, Op grond van deze PGP-berichten vindt de rechtbank dat er voldoende is voor ernstige bezwaren in dit stadium. De gesprekken lijken te gaan over het voorbereiden van een moord op [ ] en verdachte figureert daarin. De gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A hebben geleid, zijn ook nu nog aanwezig. De rechtbank beveelt dan ook de gevangenneming van verdachte ten aanzien van zaak B.” 3. Het verzoek 3.1. Aan het verzoek - waarbij verzoeker zich heeft aangesloten bij de toelichting zoals door de raadsman van de andere verdachte ter zitting van 6 februari 2019 gegeven als ook bij hetgeen door deze in zijn ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota naar voren is gebracht - is door verzoeker samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker bevindt zich vijf maanden in voorarrest. De ernstige bezwaren tegen verzoeker bestaan grotendeels uit de verklaringen van de kroongetuige. De verdediging krijgt geen kans om de kroongetuige alvast te horen op de door verzoeker bestreden door de kroongetuige afgelegde verklaringen. De strafkamer gaat elke keer mee met het onhoudbare argument dat het contract tussen het OM en de kroongetuige deel uit moet maken van het dossier terwijl het OM dat contract tegelijkertijd achterhoudt. Dat contract is anderszins ook weer niet noodzakelijk om de verdediging een begin te laten maken met het horen van de kroongetuige omtrent de bezwaren omdat die zijn gelegen in al geproduceerde verklaringen. De strafkamer zou het OM een bevel kunnen geven om het contract in te brengen. Het niet horen van de kroongetuige door en bij de rechter commissaris houdt in dat verzoeker in voorlopige hechtenis blijft zitten tot aan de inhoudelijke behandeling. Daar waar op de pro formazitting van 28 november 2018 verzoeker nog een beetje zicht op het horen van de kroongetuige had verkregen, is dat zicht met de beslissing van 6 februari 2019 weer verdwenen. Verzoeker zou dat graag willen omdat hij de weg naar de vrijheid met de rechtbank wil vinden, maar die kans krijgt hij niet. Bovendien werd overwogen dat verdachte niet slechts vastzit op de verklaringen van de kroongetuige. Daarmee is de vrees voor vooringenomenheid slechts toegenomen aangezien de strafkamer hiermee niet ander kan doelen dat op de PGP berichten. Daarin ligt kennelijk het onterechte oordeel besloten dat die berichten zelfstandig het voortduren van de voorlopige hechtenis zouden kunnen dragen. Mede gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat immers het recht geeft om een getuige â charge te kunnen horen, is bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat de strafkamer jegens hem vooringenomen is. 3.2. In aanvulling op deze gronden heeft verzoeker aangevoerd dat bij gelegenheid van de beslissing op de vordering gevangenneming (in de zaak B) en in de motivering daarvan de strafkamer heeft overwogen dat ‘de PGP-berichten die in mei 2016 zijn verstuurd belastend zijn voor cliënt’, hetgeen volgens de strafkamer ernstige bezwaren oplevert. Op dit punt werd letterlijk overwogen: ‘uw cliënt figureert in die PGP-berichten’. Zoals bekend heeft verzoeker nu juist zowel bij de recherche, als bij gelegenheid van de pro formazitting van 28 november 2018 alsmede de zitting van 6 februari 2019 betwist en ontkend de gebruiker te zijn (geweest) van de door het OM aan hem toegeschreven PGP-adressen. De strafkamer heeft bij de gegeven motivering op geen enkele manier een voorbehoud gemaakt. De strafkamer stelde onomwonden en ondubbelzinnig vast dat verzoeker in de door het OM aan hem toegeschreven berichten ‘figureert’. Verzoeker heeft ter zitting nu juist expliciet melding gemaakt van het gegeven dat hij de koppeling met de gewraakte adressen niet accepteert, maar dat hij die ‘vandaag’ niet ter discussie zou stellen. De strafkamer heeft kennelijk (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.