RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/684279-18 Datum uitspraak: 7 mei 2019 op tegenspraak VERKORT VONNIS van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] . De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.K. Cheng, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 02 juli 2018 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een (mobiele) telefoon (Apple Iphone), door voornoemde (mobiele) telefoon te betalen met valse bankbiljetten van vijftig euro, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 2. hij op of omstreeks 02 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) bankbiljet(ten) van vijftig euro dat/die verdachte en/of zijn mededaders zelf had(den) nagemaakt of vervalst of waarvan de vervalsheid of vervalsing verdachte en/of zijn mededaders, toen hij dat/die bankbiljet(ten) ontving(en), bekend was, met het oogmerk om dat/die bankbiljet(ten) als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en/of heeft uitgegeven; Subsidiair: hij op of omstreeks 02 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van vijftig euro heeft uitgegeven; 3. hij op of omstreeks 04 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een opvouwbaar mes, in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daarin in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; 4. (gevoegde zaak 689304-16) hij op of omstreeks 22 september 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een zak chips en/of (een pakje) dipsaus, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Dekamarkt (filiaal [adres] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); 2Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3Waardering van het bewijs Vrijspraak voor feit 3 3.1. Ten aanzien van de onder feit 3 tenlastegelegde overtreding van artikel 27 van de Wet wapens en munitie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan op grond van het relaas, de kennisgeving van inbeslagneming en de verklaring van verdachte ter zitting vaststellen dat bij zijn fouillering - als gevolg van de aanhouding voor de verdenking van feit 1 - een mes in beslag is genomen. De raadsman heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het in beslaggenomen mes niet voldoet aan de kenmerken die vereist zijn om tot een bewezenverklaring van feit 3 te komen. Nu in het dossier geen proces-verbaal aanwezig is waarin het mes nader wordt omschreven, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van bovengenoemde wetsbepaling. Verdachte wordt dan ook van dit feit vrijgesproken. 3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 1: op 2 juli 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon, Apple iPhone, door voornoemde mobiele telefoon te betalen met valse bankbiljetten van vijftig euro, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte. Ten aanzien van feit 2 primair: op 2 juli 2018 te Amsterdam opzettelijk bankbiljetten van vijftig euro, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die bankbiljetten ontving, bekend was, heeft uitgegeven. Ten aanzien van feit 4: op 22 september 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zak chips en een pakje dipsaus, toebehorende aan winkelbedrijf Dekamarkt, filiaal [adres] . De raadsman heeft zich nog op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van medeplegen, omdat medeverdachte [medeverdachte] de goederen heeft gestolen. Verdachte heeft nog geprobeerd hem ervan te weerhouden. Het is geen geplande actie geweest. De rechtbank verwerpt het verweer. Het is immers verdachte geweest die zowel de chips als de dipsaus in de rugtas van [medeverdachte] heeft gestopt. Op dat moment zijn die goederen aan het zicht en de heerschappij van de winkel onttrokken. Samen zijn zij vervolgens langs de kassa gelopen zonder te betalen en samen zijn zij – nadat de winkelmanager ze wilde tegenhouden – weggerend met de buit. Zonder het handelen van verdachte waren de goederen niet in de tas van medeverdachte [medeverdachte] beland. Hij heeft dan ook een wezenlijke bijdrage aan de diefstal geleverd. Nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking kan aldus het medeplegen bewezen worden verklaard. 4Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. 5Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf en maatregel De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. Omdat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten 1, 2 primair en 3 meerderjarig was en hier het zwaartepunt ligt en daarnaast ook de aard van de feiten onder 1 en 2 een volwassen indruk geven, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het meerderjarigen strafrecht dient te worden toegepast. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte een werkstraf voor de duur van 200 uur dient te worden opgelegd, met bevel, voor het geval dat hij de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen, en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] dient hoofdelijk te worden toegewezen, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft verzocht om bij de beoordeling mee te nemen dat aan de medeverdachte een taakstraf van 80 uur is opgelegd. Verdachte was ten tijde van het plegen van feiten 1 en 2 nog maar een paar weken 18. Hij is inmiddels volwassener geworden. De gepleegde feiten horen nog bij zijn jeugd. Ook heeft feit 4 inmiddels wel heel lang geleden plaatsgevonden. Verdachte heeft geen justitiële documentatie en heeft zijn leven verbeterd. De raadsman acht een (deels voorwaardelijke) taakstraf dan ook een passende strafoplegging. De rechtbank overweegt ten aanzien van het toepasselijke sanctierecht het volgende. Verdachte was ten tijde van het plegen van het onder 1 en 2 primair bewezen geachte meerderjarig en ten tijde van het plegen van feit 4 minderjarig. Uitgangspunt van de wet is dat verdachte voor de feiten tijdens meerderjarigheid gepleegd, wordt bestraft overeenkomstig het strafrecht voor volwassenen. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalt echter dat de rechtbank het jeugdstrafrecht kan toepassen indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De rechtbank concludeert op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.