← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:3532

beslissing RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Parketnummer: 13/684044-18 BESLISSING NA VEROORDELING TOT VOORWAARDELIJKE STRAF Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 8 november 2018, ingediend ter griffie op 12 november 2018, betreffende een onherroepelijk geworden vonnis van 17 mei 2018, in de strafzaak tegen: [veroordeelde] , geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie persoonsgegevens op het adres [BRP-adres] . Inleiding Bij voormeld vonnis is [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 220 uren, met bevel dat een gedeelte, groot 80 uren, van die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de daarbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel niet heeft nageleefd de volgende bij dat vonnis gestelde bijzondere voorwaarden: - zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis dient te melden bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering op het volgende adres: [adres] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en moet hij zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft; - meewerkt aan een plaatsing voor begeleid wonen bij Stichting Exodus of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, daar te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; - meewerkt aan schuldhulpverlening en het realiseren van een adequate dagbesteding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De inhoud van de vordering De vordering van de officier van justitie strekt er toe dat die niet ten uitvoer gelegde straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd. De procesgang De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak onder bovenvermeld parketnummer, waaronder: het hiervoor genoemde vonnis; een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde is toegezonden; het advies van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Amsterdam van 5 november 2018 aan de officier van justitie, waarin wordt geadviseerd om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel, omdat veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden. De rechtbank heeft op 4 april 2019 ter openbare terechtzitting gehoord de officier van justitie, mr. K. Duker, veroordeelde, zijn raadsvrouw, mr. M. Ketting, en reclasseringsmedewerker, M. Kolfschoten. Veroordeelde heeft – samengevat – verklaard dat het juist is hij niet op alle afspraken is verschenen. Vanaf 24 augustus 2018 tot 10 december 2018 zat hij gedetineerd in Luxemburg. Twee weken nadat veroordeelde weer op vrije voeten was, is hij in Nederland opgepakt en heeft hij tot 22 maart 2019 vastgezeten. In de tussentijd heeft veroordeelde geen contact gezocht met de reclassering. Veroordeelde geeft te kennen dat hij inmiddels is gesprek is met mensen van de gemeente en geen contact meer wil met de reclassering. Deskundige Kolfschoten heeft ter terechtzitting het advies van 5 november 2018 onderstreept en benadrukt dat het toezicht niet uitvoerbaar blijkt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering gehandhaafd. De raadsvrouw heeft – samengevat – verklaard dat het niet puur onwil is geweest dat veroordeelde niet op zijn afspraken is verschenen maar met name onmacht, onder meer omdat hij lange tijd gedetineerd heeft gezeten. De beoordeling Op grond van de hierboven genoemde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat veroordeelde genoemde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Uit het advies tenuitvoerlegging van 5 november 2018 blijkt dat veroordeelde niet op zijn afspraken met de reclassering is verschenen. Hoewel dit deels te verklaren is door de omstandigheid dat veroordeelde lange tijd gedetineerd heeft gezeten, maakt de rechtbank hem wel het verwijt dat hij, zodra hij daartoe de mogelijkheid had, geen contact met de reclassering heeft opgenomen. Daar komt bij dat veroordeelde op dit moment niet openstaat voor een (hernieuwd) reclasseringstoezicht. Gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank daarom termen aanwezig de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten. BESLISSING De rechtbank gelast dat de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf van 80 uren, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd. Beveelt, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen. Deze beslissing is gegeven door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mrs. F. Dekkers en E.G.M.M. van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 april 2019.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.