RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer:13/751046-19 RK nummer: 19/1855 Datum uitspraak: 16 mei 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 december 2018 door the Central District Court of Buda (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] alias [alias] , geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1980 dan wel [alias geboortedag] 1981 elders te Albanië, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd uit andere hoofde in de [plaats detentie] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 mei 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.J. Admiraal, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Albanese taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij [opgeëiste persoon] is en op [geboortedag] 1980 is geboren te [geboorteplaats] (Albanië) en dat hij de Albanese nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van the decision No. 01000/850-675/2016.bü. of the General Department of Combating Cases Involving Corruption and Economic Crimes of the Budapest Capital Police Headquarters on the issue of a warrant for arrest issued on 27 November 2018, which was approved by the Public Prosecutor’s Office of districts 20, 21 and 23 under Number B.XX.1526/2016. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Hongarije strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 23, te weten: vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5De weigeringsgrond van artikel 9 OLW 5.1 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid en onder e, OLW. De opgeëiste persoon is op 4 september 2018 door de politierechter in Nederland veroordeeld voor het in het bezit hebben van een vals paspoort. Deze veroordeling is onherroepelijk en de opgelegde straf is volledig ten uitvoer gelegd. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht vanwege het kopen van hetzelfde valse paspoort in Hongarije. Het kopen van een vals paspoort en het bezitten van datzelfde valse paspoort zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De opgeëiste persoon kon het document niet voorhanden hebben zonder het eerst te verkrijgen. Gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:165 inzake Van Esbroeck en van 28 september 2006, ECLI:EU:C:2006:614 inzake Van Straaten én de omstandigheid dat bij beide feiten hetzelfde rechtsbelang wordt beschermd, is sprake van hetzelfde feit. 5.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman niet kan slagen, omdat het verschillende feiten betreft. Uit het EAB blijkt dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht vanwege het uitlokken van ambtelijke corruptie en niet het kopen van een vals paspoort. Er is sprake van een ander rechtsbelang dat wordt beschermd. Er is dus geen sprake van hetzelfde feit, zodat de weigeringsgrond van artikel van artikel 9, eerste lid en onder e, OLW niet aan de orde is. 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. De opgeëiste persoon is in Nederland veroordeeld voor het in Nederland in bezit hebben van een vals paspoort waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals is. Dit paspoort heeft hij verkregen van de Hongaarse autoriteiten door gebruik te maken van valse gegevens met behulp van de in het EAB genoemde overheidsfunctionaris waarbij door haar bewust is nagelaten gebruik te maken van het aan haar ter beschikking gestelde instrumentarium ter verificatie van gegevens. De feitsomschrijving in het EAB ziet op het verkrijgen van een vals paspoort op basis van valse gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een ander feitencomplex dan het feitencomplex dat ten grondslag lag aan de veroordeling in Nederland. Er is geen sprake van een onlosmakelijk verband tussen de in Hongarije gepleegde handelingen en het in Nederland in het bezit hebben van (kennelijk) datzelfde valse paspoort, zodat de Hongaarse handelingen niet hetzelfde feit betreffen als de Nederlandse veroordeling. De weigeringsgrond van artikel 9 OLW is niet van toepassing. 6Detentieomstandigheden Uit de aanvullende brief van 29 april 2019 van het Hongaarse ministerie van Justitie volgt dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Szombathely of in de gevangenis in Tiszalök wordt geplaatst indien hij wordt overgeleverd. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat opgeëiste persoon na overlevering eerst maximaal twee tot drie weken in de gevangenis in Boedapest worden geplaatst (zie de uitspraak van 16 mei 2019 met parketnummer 13/751019-19). Voor zover gedetineerden in Hongarije in het algemeen (nog) een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen vanwege de in Hongaarse gevangenissen heersende detentieomstandigheden, is zo een reëel gevaar voor de opgeëiste persoon uitgesloten voor wat betreft zijn verblijf in de gevangenis in Budapest. Het Hongaarse Ministerie van Justitie heeft immers gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet wordt blootgesteld aan een behandeling die strijdig is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Deze garantie vindt steun in de overige informatie waarover de rechtbank beschikt. De rechtbank heeft geen bewijzen dat personen die in de gevangenis in Szombathely of in Tiszalök gedetineerd zijn een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen vanwege de daar heersende detentieomstandigheden. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of het verblijf van de opgeëiste persoon in één van beide instellingen hem zou blootstellen aan een dergelijk gevaar. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] alias [alias] aan the Central District Court of Buda ten behoeve van het in Hongarije tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 mei 2019. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Ter publicatie aangeboden.