RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751984-18 RK nummer: 19/1718 Datum uitspraak: 17 mei 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 februari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2018 door the District Court in Łomża IInd Penal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 mei
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig had om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis (‘valid decision’), gewezen door the Regional Court in Łomża, van 23 april
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij bovengenoemd vonnis aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Dit vonnis betreft het feit zoals dat als volgt is omschreven in onderdeel e) van het EAB: On 21st December 2006 in Łomża, he caused bodily injury to [persoon] by hitting him in the head against the wall of a building. As a result, the wronged person sustained a massive head contusion with a significant post-traumatic edema of the right hemisphere, and numerous post-traumatic hemorrhagic foci, post-traumatic subarachnoid haemorrhage, cerebral hematoma of the right frontoparietal region, bilateral periorbital ecchymosis with a contused wound of the left eye corner, wounds of the parietal and the right occipital part of the head, slicing excorioation of the epidermis of the area of the right mandibular ramus, which is a real life-threatening condition. 4Ontvankelijkheid officier van justitie De rechtbank stelt vast dat vlak voor aanvang van de zitting door tussenkomst van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) een bericht werd ontvangen afkomstig van de National Desk Assistant – Poland, Eurojust. Het bericht houdt in dat the Circuit Court in Łomża op 16 mei 2019 de tenuitvoerlegging van het vonnis voor een periode van zes maanden heeft uitgesteld, tot 16 november
- Dit bericht is voor de officier van justitie aanleiding geweest haar niet-ontvankelijkheid te vorderen. De rechtbank stelt vast dat met deze beslissing van the Circuit Court in Łomża, gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid onder b, OLW de grondslag aan het EAB is komen te ontvallen nu dit niet langer ziet op een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis. Om die reden is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. 5Beslissing VERKLAART DE OFFICIER VAN JUSTITIE NIET ONTVANKELIJK in haar vordering. STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd. Aldus gedaan door mr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter, mrs. O.P.M. Fruytier en M.T.C. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier, en direct uitgesproken ter openbare zitting van 17 mei
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.