RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/845052-14 (Promis) Datum uitspraak: 4 juni 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 april 2019 en 4 juni 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boerlage. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan 1. het samen met anderen plegen van valsheid in geschrifte door het valselijk opmaken/vervalsen van meerdere provisiefacturen van [naam 1] aan [naam 2] te [plaats] ; 2. het opzettelijk niet indienen van maandaangiften omzetbelasting over het jaar 2011; 3. het samen met anderen plegen van valsheid in geschrifte door het valselijk opmaken/vervalsen van een handgeschreven Proforma Invoice en meerdere handgeschreven facturen van T- Watches B.V. aan [naam 2] te [plaats] ; 4. feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste/onvolledige aangiften omzetbelasting over het 1e kwartaal 2012 en april 2012 door T. Watches B.V. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Valselijk opmaken/vervalsen provisiefacturen (feit 1) 4.1.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 ten laste gelegde feit kan worden bewezen en heeft daarvoor het volgende aangevoerd. Tijdens het boekenonderzoek bij verdachte (hierna: [verdachte] ) zijn provisiefacturen aangetroffen. De provisiefacturen zijn uitgeschreven op naam van de eenmanszaak van [verdachte] . Uit deze facturen zou blijken dat [verdachte] van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op grote schaal provisie heeft ontvangen in verband met de verkoop van horloges door [medeverdachte] aan [naam 2] . [naam 2] , eigenaar van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) herkent de provisiefacturen niet en verklaart dat hij nooit provisiebetalingen aan [verdachte] heeft gedaan. Daarnaast volgt uit het dossier dat [verdachte] de provisiefacturen achteraf heeft opgemaakt om voor te wenden dat er daadwerkelijk leveringen hebben plaatsgevonden bij [naam 2] . Aangezien de facturen op naam van de eenmanszaak van [verdachte] zijn opgemaakt, waar niemand anders werkzaamheden verrichtte dan hij, kan het niet anders dan dat [verdachte] de facturen heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Hij heeft immers de facturen in zijn administratie opgenomen en de facturen aan [medeverdachte] verstrekt ter onderbouwing van de voorgewende transacties met [naam 2] . 4.1.2. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. Daartoe is het volgende redengevend. De provisiefacturen zijn gericht aan [naam 2] . [naam 2] heeft tijdens zijn verhoor – geconfronteerd met een aantal provisiefacturen – ontkend provisiebetalingen aan [verdachte] of een bedrijf van hem te hebben verricht. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 2] tegenover de Duitse autoriteiten niet erg gedetailleerd of concreet is over sommige transacties. Bovendien is het niet duidelijk welke documenten precies aan [naam 2] zijn getoond tijdens het verhoor.De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [naam 2] mogelijk een belang kan hebben om verklaringen af te leggen die hem in het kader van de bedrijfsvoering van [naam 2] niet kunnen worden tegenworpen. [naam 2] kan daarmee beweegredenen hebben op grond waarvan hij zijn verklaring heeft afgelegd. De rechtbank ziet in deze omstandigheid aanleiding om terughoudendheid te betrachten bij het gebruik van de verklaring van [naam 2] . Nu bovendien het dossier onvoldoende ander bewijs bevat dat de verklaring van [naam 2] ondersteunt om te komen tot de vaststelling dat de provisiefacturen vals zijn, zal [verdachte] worden vrijgesproken. 4.2. Niet indienen aangifte omzetbelasting (feit 2) 4.2.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen en heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] heeft verklaard dat hij in 2011 met zijn eenmanszaak [naam 1] heeft gehandeld in dure horloges. Over dat jaar heeft hij een aanzienlijke omzet geboekt. [verdachte] heeft over 2011 echter geen aangiften omzetbelasting ingediend. Dit bevestigt hij in een e-mail aan zijn boekhouder. 4.2.2. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen gelet op de inhoud van het e-mailbericht dat [verdachte] aan zijn boekhouder heeft gestuurd waarin hij bevestigt dat hij geen aangiften omzetbelasting heeft gedaan over 2011. 4.3. Valselijk opmaken/vervalsen facturen (feit 3) 4.3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het onder feit 3 ten laste gelegde feit kan worden bewezen. [verdachte] dient wel te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde pro forma factuur van 23 februari 2012. Van de overige drie facturen kan de valsheid worden vastgesteld omdat [naam 2] aangeeft de horloges niet te hebben aangekocht, dan wel omdat de verkochte horloges ten tijde van de datum van de factuur niet in voorraad waren of de consignatie al was opgezegd. De facturen zijn door [verdachte] gebruikt, door opname in de administratie van T-Watches B.V. in oprichting. 4.3.2. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de pro forma factuur van 23 februari 2012. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. Hij zal eveneens worden vrijgesproken van de overige ten laste gelegde facturen. Daartoe is het volgende redengevend. Ten aanzien van de factuur van 1 mei 2012 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de daarop vermelde horloges zijn verkocht op een datum waarop de consignatie reeds was opgezegd en de horloges al waren teruggegeven. De officier van justitie verwijst daarbij naar de factuur (D-083) en de opzegging van de consignatie (D-211). De rechtbank stelt echter vast dat laatstgenoemde document niet ziet op de horloges die in de factuur van 1 mei 2012 worden genoemd. De opzegging van consignatie ziet op horloges die zijn genoemd in de factuur van 31 maart 2012 (D-087). Daarmee staat niet vast dat de horloges niet verkocht kunnen zijn en de verkoopfactuur vals is. Ten aanzien van de facturen van 16 april 2012 en de factuur van 21 april 2012 overweegt de rechtbank dat een bewezenverklaring in overwegende mate zou steunen op de verklaring van [naam 2] . Nu het dossier onvoldoende ander bewijs bevat om te komen tot een vaststelling dat de facturen vals zijn, zal [verdachte] hiervan worden vrijgesproken. 4.4. Feitelijk leiding geven aan onjuiste aangifte omzetbelasting (feit 4) 4.4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie [verdachte] moet worden vrijgesproken, dan wel worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu T-Watches B.V. in oprichting geen rechtspersoon is waaraan feitelijk leiding kan worden gegeven. 4.4.2. Het oordeel van de rechtbank Aan verdachte is onder 4 ten laste gelegd – kort gezegd – het feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen die zijn gepleegd door T-Watches B.V. Daarbij gaat het om onjuiste aangiften omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2012 en april 2012. Uit het in het dossier gevoegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, blijkt dat T-Watches op 1 mei 2012 is opgericht. Dat is na het eerste kwartaal van 2012 en april 2012, waar de beschuldiging op ziet. T-Watches was op dat moment nog in oprichting. In artikel 51 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Het begrip 'rechtspersoon' dient in beginsel naar civielrechtelijke maatstaven te worden geïnterpreteerd. Naar civielrechtelijke maatstaven heeft een B.V. i.o. als zodanig geen rechtspersoonlijkheid. Noodzaak om de strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 51 Sr zodanig ruim te interpreteren dat deze de B.V. i.o. als zodanig omvat, bestaat niet. Het is namelijk mogelijk de oprichter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.