← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:4106

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751260-19 RK nummer: 19/2164 Datum uitspraak: 28 mei 2019 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 april 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 maart 2019 door de openbare aanklager te Tours (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 mei

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. H.A.F.C. Tack, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Spaanse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Colombiaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van the examining judge in Tours county court van 27 maart
  2. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Frankrijk strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. 4Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB Het EAB is uitgevaardigd door de openbare aanklager te Tours. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft bij arresten van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (OG) en C-509/18 (PF) de vragen van Ierse rechters of de officier van justitie in Lübeck, Duitsland en de officier van justitie van de Republiek Litouwen rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten beantwoord. In (de voorlopige editie van de Nederlandse versie van) het arrest in de zaak OG is in punt 60 en 73 tot en met 75 het volgende door het HvJ overwogen: “60 Uit de overwegingen in de punten 50 tot en met 59 van dit arrest volgt dat een autoriteit, zoals een openbaar ministerie, dat beschikt over de bevoegdheid om in het kader van de strafprocedure strafvervolging in te stellen tegen een persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, teneinde hem voor de rechter te brengen, moet worden geacht deel te nemen aan de rechtsbedeling in de betrokken lidstaat. 73 De „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 moet bijgevolg in staat zijn die taak objectief uit te oefenen door rekening te houden met alle belastende en ontlastende elementen, zonder daarbij het risico te lopen dat derden, met name de uitvoerende macht, haar beslissingsbevoegdheid aansturen of met betrekking tot die bevoegdheid instructies geven, zodat het geen enkele twijfel lijdt dat het besluit tot uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel uitgaat van die autoriteit en in fine niet van de uitvoerende macht (zie in die zin arrest van 10 november 2016, Kovalkovas, C‑477/16 PPU, EU:C:2016:861, punt 42). 74 Bijgevolg moet de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de uitvoerende rechterlijke autoriteit de zekerheid kunnen bieden dat, gelet op de waarborgen geboden door de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat, zij in de uitoefening van haar met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken, op onafhankelijke wijze optreedt. Deze onafhankelijkheid vereist dat er statutaire en organisatorische voorschriften bestaan die waarborgen dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de vaststelling van een beslissing tot uitvaardiging van een dergelijk aanhoudingsbevel geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht. 75 Wanneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is, moet bovendien de beslissing om een dergelijk aanhoudingsbevel uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming.” De rechtbank acht het daarom van belang antwoord te krijgen op de volgende vragen: Is in Frankrijk gewaarborgd dat de openbare aanklager bij de vaststelling van en beslissing tot uitvaardiging van een EAB geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht? Zo ja, bestaat in Frankrijk de mogelijkheid om in rechte tegen de uitvaardiging door de openbare aanklager te Tours van een EAB ter fine van vervolging op te komen, in het bijzonder met betrekking tot de evenredigheid van een dergelijke beslissing, in een procedure die volledig voldoet aan de eisen die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming? In het licht van de arresten van het HvJ van 27 mei 2019 heeft [naam] , vice procureur Tribunal de grande instance de Tours, bij e-mailbericht van 28 mei 2019 onder meer het volgende verklaard: “Inderdaad, sinds de wet n°2013-669 van 25 juli 2013, wordt, door artikel 30 van het wetboek van strafvordering, de mogelijkheid uitgesloten dat de Minister aanwijzingen geeft aan de magistraten van het openbaar ministerie in concrete zaken.” De eerste vraag lijkt hiermee voorshands bevestigend te zijn beantwoord. Nu de tweede vraag nog niet is beantwoord ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. 5Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek tot 18 juni 2019 te 10:00 uur om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit navraag te doen naar de onafhankelijkheid van de openbare aanklager in Tours, en in het bijzonder te vragen of in Frankrijk de mogelijkheid bestaat om in rechte tegen de uitvaardiging door de openbare aanklager van een EAB ter fine van vervolging op te komen, in het bijzonder met betrekking tot de evenredigheid van een dergelijke beslissing, in een procedure die volledig voldoet aan de eisen die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw; BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Spaanse taal tegen voornoemde datum en tijdstip. Aldus gedaan door mr. M.T.C. de Vries, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en A.K. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 mei
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.