RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 19/1018 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. K. Cras), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder. Procesverloop De rechtbank heeft op 18 februari 2019 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiseres van 5 november
- Bij brief van 6 maart 2019 heeft mr. K. Cras, advocaat te Amsterdam, het beroep ingetrokken en aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten. Nadat partijen toestemming hebben gegeven om zonder zitting op het verzoek om vergoeding van de proceskosten uitspraak te doen, is het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.
- Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door het bestuursorgaan indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
- Eiseres heeft bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de forfaitaire vergoeding in beroep. Beoordeling
- De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen. Verweerder heeft de in verband met de intrekking van het beroep gemaakte aanspraak op proceskosten niet bestreden. Onder deze omstandigheden wordt aanleiding gevonden om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair zijn vastgesteld op € 256,00 (1 punt voor het beroepschrift x factor 0,5 x € 512,00) als kosten van verleende rechtsbijstand.
- Eiseres heeft bij de intrekking van het beroep niet aangegeven van de bestuursrechter een uitspraak over de verschuldigdheid van de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb te verlangen.
- Omdat eiseres het griffierecht heeft voldaan en verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen, dient verweerder aan eiseres het griffierecht van € 174,00 te vergoeden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van€ 256,
- Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2019 door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van A. Borkovic, de griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.