RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751474-19 RK nummer: 19/3363 Datum uitspraak: 20 juni 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2019 door het Amtsgericht Mönchengladbach (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 juni 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de Rechtbank van Eerste Aanleg Mönchengladbach van 11 april 2019.Dossiernummer: 59 Gs 345/19 (300 Js 1117/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn als volgt omschreven in onderdeel
- e)van het EAB: Daadtijd/daadperiode: 10.04-2019 Daadplaats: Wegberg Toedracht: OP 10-04-2019 omstreeks 04.15 uur braken de vervolgde en zijn mededader [mededader] op grond van een gemeenschappelijk daadbesluit de automatische toegangsdeur van de verkoopruimte van het benzinestation aan de [adres] in Wegberg open en drongen in de verkoopruimte binnen. Uit de verkoopruimte stalen zij cigaretten met een totale waarde van ca. € 5.000,00, die zu (sic) met plastic zakken in de van hen gebruikte personenwagen Ford Mondeo, waaraan de gestolen kentekens van een VW Polo [kenteken 1] aangebracht waren, brachten. Daarbij handelden de vervolgde en zijn mededader, om zich een niet alleen voorlopige, niet geheel onbeduidende bron van inkomsten te verschaffen. Aansluitend vluchtten zij met de personenwagen Ford Mondeo, waarbij de vervolgde het voertuig bestuurde. Gedurende de achtervolgingsjacht met de politie, onder andere door het Roergebied, ramde de vervolgde op de BAB 3 in rijrichting Oberhausen in de ongelijkvloerse kruising van twee autosnelwegen Oberhausen Sterkade met de van hem bestuurde personenwagen het inzetvoertuig van de politie VI 21/41, om dit af te schudden en zich en zijn mededader aan een identificatie en arrestatie te onttrekken. Daarbij veroorzaakte hij een materiële schade aan het inzetvoertuig en bracht de politieambtenaren in het gevaar van een verkeersongeval met lichamelijke letsels. Aard van de deelneming: mededader. Nadat het EAB was uitgevaardigd, is door de Duitse autoriteiten verzocht om afgifte van de inbeslaggenomen kentekenplaat (Duitsland [kenteken 2]), die in het bezit van de opgeëiste persoon is aangetroffen. Daartoe heeft de officier van justitie een aanvullende vordering ingediend gedateerd 5 juni 2019 waarbij zij vordert dat de rechtbank mede over het verzoek om afgifte aan de verzoekende Staat van het in beslaggenomen goed (de kentekenplaat) zal beslissen. 4Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe. Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd: Het onderzoek is reeds in Duitsland aangevangen. De slachtoffers bevinden zich in Duitsland. Bewijs bevindt zich deels in Duitsland. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering worden toegestaan. Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen kentekenplaat aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7, 13, 49 en 50 Overleveringswet. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Mönchengladbach, Duitsland. Beveelt de afgifte van de in beslag genomen kentekenplaat (Duitsland [kenteken 2], beslagnummer PL0600-2019155089-1963709) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Aldus gedaan door mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en F.A.N.J. Goudappel, rechters, in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 juni 2019. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.