beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/661693 / HA RK 19-53 Beschikking van 13 juni 2019 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. J.L.A. de Waard te Utrecht, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht EURO INSURANCE LTD., gevestigd te Almere, verweerster, advocaat mr. J.C. Rous te Rotterdam. Partijen zullen hierna [verzoeker] en Euro Insurance worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het op 10 januari 2019 ter griffie binnengekomen verzoekschrift, met producties, het op 24 april 2019 ter griffie binnengekomen verweerschrift, met producties, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 april 2019, de brief van mr. De Waard van 26 april 2019 met het verzoek om een beschikking te wijzen, de brief van mr. De Waard van 2 mei 2019 met betrekking tot het toezenden van het proces-verbaal en de e-mail van mr. Rous van 9 mei 2019, mede namens mr. Knijp, in reactie op de brief van mr. De Waard van 26 april 2019, het e-mailbericht van de griffier aan partijen van 29 mei 2019. 1.2. De datum van de beschikking is vervolgens bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [verzoeker] is op 2 oktober 2004 als bestuurder van een auto betrokken geraakt bij een aanrijding met een andere auto. De auto van verzoeker werd in de flank aangereden. Euro Insurance is de WAM-verzekeraar van de bestuurder van de andere auto. Euro Insurance heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de aanrijding erkend. 2.2. Partijen zijn na het ongeval in overleg getreden over de afwikkeling van de gevolgen van het ongeval. Op 28 april 2016 is op gezamenlijk verzoek van partijen een neurologische expertise uitgebracht door neuroloog [naam neuroloog] (hierna: [naam neuroloog] ) waarin onder meer staat: “Beschouwing (…) Het is voorstelbaar dat door de abrupt inwerkende kracht bij het heen en weer bewegen van het hoofd er een verrekking van de spieren van de nek is opgetreden met als gevolg pijnklachten van nek met uitstraling naar hoofd en schouders. Deze pijnklachten zijn van tendomyogene oorsprong. Daarnaast ontwikkelde betrokkene bijkomende cognitieve klachten met daarbij een verminderd energieniveau. Deze klachten hebben geen specifiek neurologisch cerebrale achtergrond. Verder waren er nog diverse aspecifieke klachten zoals flushes, slaapstoornissen, visusklachten, verhoogde spierspanning in het gehele lijf waarvoor evenmin een duidelijk neurologisch substraat te weerhouden is. In een therapeutische setting waren er aanwijzingen voor een posttraumatische stress stoornis. Al met al kan er voor de chronische klachten geen neurologisch substraat worden weerhouden, maar lijken deze vooral van reactieve aard te zijn. De cognitieve klachten zouden dan als een soma/psychische reactie op de pijn en lichamelijke klachten kunnen worden beschouwd. De problematiek van betrokkene en zijn klachtenpatroon hebben veel overeenkomsten met die van een patiënt met een postwhiplash syndroom. Daar waar de meeste patiënten na een whiplash ongeval een goede verbetering van het klachtenpatroon laten zien is bij betrokkene na ruim 11 jaar na het ongeval slechts een zeer gering herstel opgetreden. Over het algemeen wordt aangenomen dat het voortbestaan van chronische klachten samenhangt met de wijze waarop een patiënt omgaat met de klachten alsook psychosociale factoren zoals passieve coping. De mate waarin er in geval van betrokkene nog een factor posttraumatische stress meespeelt laat zich niet goed beoordelen. Diagnose en conclusie Uitgebreid aspecifiek klachtenpatroon na ongeval, deels overeenkomend met een postwhiplash disorder WAD graad II (persisterende klachten na nekletsel). (…) ZAKELIJK GEDEELTE VAN DE RAPPORTAGE (…) 2. Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven: a. Waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die op medische gronden als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd? (…) Bij lichamelijk en klinisch neurologisch onderzoek worden er, behalve een licht beperkte beweeglijkheid van CWK en schouders, geen duidelijke afwijkingen vastgesteld. Omdat een neurologisch substraat voor de klachten en (geringe) restverschijnselen ontbreken kan niet met zekerheid gesteld worden dat de restklachten en verschijnselen als ongevalsgevolg beschouwd moeten worden. b. Zouden de vermelde klachten en/of (rest-)verschijnselen er ook zijn geweest wanneer het ongeval zich niet zouden hebben voorgedaan? Antwoord: Bij betrokkene bestonden de klachten niet vóór het ongeval. Er lijkt dus een tijdsrelatie te zijn bij het ongeval. Omdat een neurologisch substraat ontbreekt voor klachten en geringe restverschijnselen kan niet met zekerheid gesteld worden dat deze niet zouden zijn ontstaan wanneer er zich geen ongeval had voorgedaan. (…)” 2.3. Op gezamenlijk verzoek van partijen is op 30 augustus 2017 een psychiatrische expertise uitgebracht door [naam psychiater] die onder meer als volgt luidt: “(…) Wat vind ik zelf bij huidig onderzoek? Sinds het ongeval van 2 oktober 2004 aan betrokkene is overkomen, zijn er 13 jaren verlopen. Voor zover hij op psychiatrisch gebied schade zou hebben opgelopen, is het op voorhand al wel waarschijnlijk dat de intensiteit daarvan na zoveel tijd zal zijn afgenomen. In de voorgaande jaren kunnen zulke klachten bij betrokkene wel aanwezig zijn geweest. (…) In overeenstemming hiermee vind ik bij betrokkene bij mijn huidig psychiatrisch onderzoek dan ook geen afwijkingen (meer) op mijn eigen vakgebied. (…) Zoals aangegeven houdt het bovenstaande niet in dat er bij betrokkene op enig moment na het ongeval van 2004 geen psychische klachten kunnen zijn geweest en dat die toen ook beperkingen met zich meebrachten, maar bij afwezigheid van gerichte behandeling daarvoor is het niet erg aannemelijk dat deze ernstig waren. (…)” 3Het geschil 3.1. [verzoeker] verzoekt voor recht te verklaren – samengevat – dat hij een blijvend patroon van klachten heeft zoals benoemd door neuroloog [naam neuroloog] in zijn rapport van 28 april 2016, te weten verhoogde spierspanning, pijnlijke nek/schouders, concentratiestoornissen, coördinatieproblemen, hitte-aanvallen/flushes, verminderd energieniveau, persoonlijkheidsverandering, slaapstoornissen, visusklachten en lage rugklachten, alsmede dat genoemde klachten in causaal verband staan met het ongeval van 2 oktober 2004, met veroordeling van Euro Insurance tot vergoeding van de kosten van het deelgeschil. 3.2. Aan het verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat het ongeval van 2 oktober 2004 heeft geleid tot een blijvend klachtenpatroon. Indien de rechtbank voor recht verklaart dat tussen de klachten en het ongeval juridisch causaal verband bestaat, kunnen partijen voortgaan met hun onderling overleg teneinde tot een regeling te komen. 3.3. Euro Insurance voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase stuiten op geschilpunten die de voortgang van dat onderhandelingstraject belemmeren. Partijen kunnen de rechter vragen om een beslissing op die geschilpunten, zodat zij vervolgens verder kunnen met de onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Het verzoek leent zich voor beoordeling in deelgeschil, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. 4.2. De rechtbank stelt het volgende beoordelingskader voorop. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.