← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:4516

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 7419769 CV EXPL 18-28306 vonnis van: 9 juli 2019 fno.: 394 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiseres] h.o.d.n. [eiseres] gevestigd te [vestigingsplaats] eiseres nader te noemen: [eiseres] gemachtigde: Van Arkel (Leiden) t e g e n [verweerder] wonende te [woonplaats] gedaagde nader te noemen: [verweerder] procederend in persoon VERLOOP VAN DE PROCEDURE dagvaarding van 5 december 2018 met productie; mondeling antwoord en schriftelijk aanvullende antwoorden met producties; instructievonnis; repliek met producties; mondelinge dupliek; dagbepaling vonnis. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten

  1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.
  2. Tussen [verweerder] en [eiseres] is op 20 april 2014 een onderwijsovereenkomst gesloten voor de opleiding juridisch medewerker zakelijke dienstverlening. 1.
  3. Op deze opleiding zijn algemene bepalingen van de onderwijsovereenkomst ROC van Amsterdam van toepassing. In deze bepalingen is opgenomen onder C. Kosten:
  4. De student verklaart te hebben kennis genomen van de lijst met onderwijsbenodigdheden (verplicht voor het volgen van onderwijs) en (eventuele) vrijwillige bijdragen.
  5. Informatie over de aan de opleiding verbonden kosten staan in ‘Inschrijfvoorwaarden en betalingsverplichting’ op de website. 1.
  6. In 2016 heeft in het kader van deze opleiding een reis (werkweek) naar Berlijn plaatsgevonden. [eiseres] heeft op 19 februari 2016 een factuur aan [verweerder] gezonden voor een bedrag van in totaal € 330,00 aan excursie, bijdrage SPL en lesmethode (€ 130,00) alsmede werkweek Berlijn (€ 200,00). [verweerder] heeft deze factuur onbetaald gelaten. 1.
  7. [verweerder] heeft niet deelgenomen aan deze reis in verband met ziekte. Zij heeft een vervangende opdracht gemaakt. 1.
  8. Bij het voor de opleiding te bestellen boekenpakket bij [eiseres] waren de kosten voor de reis naar Berlijn eveneens opgenomen. [verweerder] heeft haar boeken niet via de school maar tweedehands gekocht. 1.
  9. Bij brief van 1 juni 2016 heeft [eiseres] [verweerder] gesommeerd tot betaling van de openstaande factuur binnen 15 dagen na ontvangst van die brief. hierbij is bij het niet voldoen van de factuur een bedrag van € 59,90 aan incassokosten aangekondigd. 1.
  10. De incassogemachtigde van [eiseres] heeft per e-mails van 26 juni en 14 juli en 1 augustus 2018 en brieven van 18 juli en 6 augustus 2018 [verweerder] gesommeerd tot betaling van de openstaande factuur, rente en incassokosten. Vordering
  11. [eiseres] vordert dat [verweerder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:a. € 330,00 aan hoofdsom; b. € 59,90 aan buitengerechtelijke incassokosten; c. € 18,17 aan rente, berekend tot 20 november 2018; d. rente over € 330,00 vanaf 21 november 2018;e. de proceskosten. [eiseres] stelt hiertoe, samengevat en zakelijk weergegeven, dat [verweerder] naast het wettelijk vastgestelde les- en/of cursusgeld ook specifieke opleidingskosten verschuldigd is zoals blijkt uit de onder 1.2 genoemde bepalingen. Deze bestonden uit de gefactureerde onderdelen excursie, bijdrage SPL en lesmethode en de werkweek Berlijn. Deze studiereis was verplicht gesteld en stond daarom ook op de boekenlijst. Opgeven voor de studiereis was niet nodig. Ook studenten die mét toestemming niet meegingen, dienden wel te betalen, omdat de opleiding de kosten (vervoer, overnachting en excursies) wel maakt voor de organisatie van de reis en er geen keuze was in het al dan niet meegaan. Aan de start van de opleiding is meegedeeld dat het hier om een verplichte activiteit ging. Dat [verweerder] zich alle dagen van de studiereis heeft ziekgemeld ontslaat haar niet van de verplichting om de kosten van de studiereis te betalen nu deze verplicht was. Verweer
  12. [verweerder] heeft aangevoerd, samengevat en zakelijk weergegeven, dat zij ziek was en de reis naar Berlijn niet heeft gemaakt. In het begin van de opleiding kon [verweerder] via een link haar boekenpakket bestellen inclusief de reis naar Berlijn. Zij heeft haar boeken echter tweedehands gekocht. In de studieovereenkomst, die door de moeder van (de toen nog minderjarige) [verweerder] is ondertekend, wordt niet vermeld dat de reis naar Berlijn verplicht is. Ook toen de werkweek op school ter sprake kwam heeft de mentor van [verweerder] niet gezegd dat de reis verplicht was. Wel werd gezegd dat er een opdracht tegenover stond als je niet met de reis mee was geweest, aldus [verweerder] . Die heeft zij ook gemaakt. Ten slotte stelt [verweerder] dat haar moeder de reis ook niet kon betalen. Beoordeling
  13. [eiseres] heeft gesteld dat de werkweek een verplicht onderdeel van de opleiding, wat zou moeten blijken uit de boekenlijst, welke lijst [eiseres] overigens niet in het geding heeft gebracht. Die stelling is tegenover de betwisting van [verweerder] dat zij een alternatieve opdracht kon doen (hetgeen zij ook heeft gedaan) onvoldoende onderbouwd. Bovendien zegt die boekenlijst ook niet zoveel nu het kennelijk ook mogelijk was om boeken op een andere manier (bijvoorbeeld tweedehands) te bestellen.
  14. Verder is van belang dat in de artikelen 5.C sub 3 en 4 van de algemene bepalingen niets over het verplichte karakter van een studiereis is te vinden.
  15. Ten slotte heeft de kantonrechter acht geslagen op het volgende. De vordering betreft een niet op de wet gebaseerde (extra) geldelijke bijdrage. Daarmee dient in het algemeen kritisch te worden omgegaan, zoals blijkt uit de brief van 13 januari 1994 (BVE/AGA/BO-93098968) van de toenmalige minister van onderwijs en wetenschappen waarin wordt gewezen op de voorwaarden die in acht moeten worden genomen als van leerlingen niet wettelijke-bijdragen worden verzocht.
  16. Het voorgaande leidt ertoe dat het verweer slaagt en de vordering als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.
  17. [eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast. BESLISSING De kantonrechter: wijst de vordering af; veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot worden op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.