← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:4525

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752161-18 RK nummer: 19/2044 Datum uitspraak: 18 juni 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2018 door Sąd Okręgowy w Zamościu (District Court in Zamość), te Polen en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 21 mei 2019 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 mei

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Het onderzoek is ter zitting geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te stellen met het oog op de toetsing van de dubbele strafbaarheid met betrekking tot feit IV, vermeld in het EAB. Zitting 18 juni 2019 De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 18 juni 2019 in de stand waarin het onderzoek zich bevond op 21 mei
  2. De behandeling heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Uit de informatie in het EAB (en de aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit) blijkt dat aan het EAB ten grondslag ligt de:
  3. sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 19 December 2013, which became legally valid on 14 January 2014 (II K 363/13), hierna ook: vonnis 1;
  4. sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 29 October 2014, which became legally valid on 7 November 2014 (II K 186/14), hierna ook: vonnis
  5. Verder blijkt dat de overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van: een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden (II K 363/13) en een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden (II K 186/14), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon voorwaardelijk opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. In het EAB is melding gemaakt van de beslissing tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straffen. De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid 4.
  6. Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit I, dat aan ‘vonnis 1’ ten grondslag ligt en waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap 4.
  7. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten II, III en IV, die ten grondslag liggen aan ‘vonnis 2’, niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt het volgende vast. Feit II levert naar Nederlands recht op: - belediging; - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het feitencomplex, vermeld onder Feit III, is gedeeltelijk strafbaar naar Nederlands recht, namelijk voor zover te kwalificeren als: - belediging. Het bij het feitencomplex, vermeld bij feit III, genoemde duwen van [slachtoffer] is, zo stelt de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman vast, niet strafbaar naar Nederlands recht. Uit de door de uitvaardigende autoriteit verstrekte nadere informatie blijkt dat niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft ondervonden door het duwen. Van mishandeling naar Nederlands recht is dan ook geen sprake. Kwalificatie onder een ander strafbaar feit naar Nederlands recht is evenmin mogelijk. Feit IV is naar Nederlands recht strafbaar en levert op: - diefstal. Deze strafbaarheid volgt uit de door de uitvaardigende autoriteit verstrekte nadere informatie. Daaruit blijkt dat [slachtoffer] en de opgeëiste persoon ten tijde van de gepleegde diefstal weliswaar getrouwd waren, maar dat geen sprake (meer) was van een gemeenschap van goederen binnen het huwelijk. Resumerend: De overlevering moet worden geweigerd ten aanzien van het bij het feitencomplex, vermeld onder feit III, genoemde duwen van [slachtoffer] vanwege het ontbreken van dubbele strafbaarheid. De overige feiten zijn dubbel strafbaar. 5Detentieomstandigheden Standpunt van de raadsman De opgeëiste persoon heeft een alvleesklierontsteking en levercirrose. De levercirrose is zo ernstig dat die inmiddels levensbedreigend is. Het is de vraag of de opgeëiste persoon in Poolse gevangenissen voor zijn medische problemen adequaat zal worden behandeld. In dit verband is van belang hetgeen in het meest recente rapport uit 2018 van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment over de detentieomstandigheden in Poolse gevangenissen wordt vermeld. Pagina 37 van het rapport vermeldt dat niet direct na plaatsing in een gevangenis zorg wordt besteed aan de medische problematiek van gedetineerden. Dit zou voor de opgeëiste persoon kunnen betekenen dat hij bijvoorbeeld pas een week na aankomst door een arts zou worden gezien; hetgeen een levensbedreigende situatie kan opleveren. Gelet op het voorgaande zou overlevering van de opgeëiste persoon naar Polen moeten worden geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Voor het geval de rechtbank op dit moment niet tot weigering wil overgaan, geldt dat in ieder geval moet worden gevraagd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit in welke gevangenis de opgeëiste person zal worden geplaatst na zijn overlevering en of in die gevangenis de benodigde medische voorzieningen beschikbaar zijn voor de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie De raadsman heeft niet met stukken onderbouwd dat de medische problemen van de opgeëiste persoon levensbedreigend zijn. De huidige medische problemen kunnen niet in de weg staan aan het toestaan van de overlevering door de rechtbank. Deze zullen, wanneer de rechtbank de overlevering zal toestaan, op grond van artikel 35 van de OLW worden meegewogen bij de beslissing door de officier van justitie over de feitelijke overlevering. Oordeel van de rechtbank Het bepaalde in artikel 4 van het Handvest staat niet in de weg aan het toestaan van de verzochte overlevering van de opgeëiste persoon naar Polen. De medische problematiek kan een rol spelen bij de beslissing over de feitelijke overlevering door de officier van justitie. De officier van justitie heeft ook toegezegd dat rekening wordt gehouden met de medische situatie van de opgeëiste persoon. De rechtbank verwerpt het verweer strekkende tot weigering van de verzochte overlevering en ziet evenmin aanleiding voor aanhouding van de zaak om de door de raadsman gewenste vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. 6Slotsom Nu ten aanzien van de sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 19 December 2013 (II K 363/13) is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf te worden toegestaan. Ten aanzien van de sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 29 October 2014 (II K 186/14) kan de overlevering worden toegestaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde vrijheidsstraf voor de feiten II, III – voor zover te kwalificeren naar Nederlands recht – en IV. De overlevering kan niet worden toegestaan voor de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de bij dat vonnis opgelegde vrijheidsstraf voor het bij feit III vermelde duwen van [slachtoffer] . De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd voor dit duwen van [slachtoffer] . Dit staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 266, 285, en 310 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 van de OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan Sąd Okręgowy w Zamościu (District Court in Zamość), in Polen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, opgelegd bij sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 19 December 2013 (II K 363/13). STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan Sąd Okręgowy w Zamościu (District Court in Zamość), in Polen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de bij sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 29 October 2014 (II K 186/14) opgelegde vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens feiten II, III – voor zover te kwalificeren naar Nederlands recht – en IV. WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] , voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de bij sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 29 October 2014 (II K 186/14) opgelegde vrijheidsstraf wegens het onder feit III vermelde duwen van [slachtoffer] . Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. C.A. van Dijk en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juni
  8. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.