← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:4555

vonnis ________________________________________________________________________ _ RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/730084-14 (zaak A); 13/731070-15 (zaak B) en 13/731088-15 (zaak C) Datum uitspraak: 4 juli 2019 Vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in [detentieadres] . 1. Het onderzoek 1.1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de inhoudelijke terechtzittingen van 5, 8, 9, 12, 13, 19, 20, 22 en 23 februari 2018, 12, 16, 23 en 29 maart 2018, 6 en 9 april 2018, 18, 22, 24, 25 en 29 mei 2018, 1, 5, 8, 14, 26 en 28 juni 2018, 3, 5, 9 en 12 juli 2018, 3, 6, 7 en 13 september 2018, 1, 2, 4, 5, 9, 11, 12, 15 en 16 oktober 2018, 12, 19, 20, 22 en 23 november 2018, 18 december 2018, 14 januari 2019, 14, 15 en 28 februari 2019, 1, 7, 8, 12, 14, 15 en 25 maart 2019, 2 april 2019, 9 mei 2019 en 4 juli 2019. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C genoemd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. S. Tammes en L.N. Stempher en van wat verdachte en zijn raadslieden mrs. S.L.J. Janssen en R. Malewicz naar voren hebben gebracht. 1.2. Opmerkingen vooraf Inleiding In het proces Vandros staat centraal een zestal moordaanslagen, gepleegd in de jaren 2002 tot en met 2006. Het gegeven dat dit meer dan 13 jaar geleden is, maakt het niet minder dringend dat de daders hiervan worden opgespoord en berecht. De gewelddadige dood van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ), [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) en [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ), hebben plaatsgevonden in het criminele milieu dat zijn weg naar het vastgoed had gevonden. Duidelijk is geworden dat dit milieu een ontwrichtende werking heeft op de maatschappij, omdat in het criminele milieu alleen het recht van de sterkste geldt. Daarnaast is de nabestaanden groot en onherstelbaar leed aangedaan. Tot op de dag van vandaag worden moorden als deze gepleegd, uit louter eigen financieel belang en machtsvertoon. Ook dat maakt berechting van daders van moorden uit een verder verleden noodzakelijk. Verdachte staat in het proces Vandros terecht, op verdenking van de uitlokking van deze moordaanslagen. De omvang van het dossier Het strafrechtelijk onderzoek Vandros bevat niet alleen de resultaten van het naar verdachte ingestelde onderzoek in verband met wat hem ten laste wordt gelegd; ook de inmiddels afgedane strafrechtelijke onderzoeken Kolbak en Passage behoren tot het onderzoek Vandros. Aan verdachte is de uitlokking van verschillende moordaanslagen ten laste gelegd. De onderzoeken naar die moorden hebben de volgende namen: Viool: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 1] en de doodslag op [slachtoffer 2] , Enclave: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 3] en de poging doodslag/zware mishandeling van [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] (hierna: [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] ), Agenda: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 5] , Perugia: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 6] , Fazant: het onderzoek naar de poging moord op [slachtoffer 4] , Boeddha: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 4] . Voor zover die onderzoeken niet tot het onderzoek Vandros waren gaan behoren door de toevoeging van het onderzoek Passage, zijn deze onderzoeken ook aan het onderzoek Vandros toegevoegd. Daarnaast zijn delen van andere relevante strafrechtelijke onderzoeken aan het onderzoek Vandros toegevoegd. Daar waar de rechtbank in dit vonnis spreekt over het ‘onderzoek Vandros’ doelt zij op dit hiervoor weergegeven samenstel van strafrechtelijke (deel)onderzoeken. Daar waar dat voor de begrijpelijkheid beter uitkomt, zal de rechtbank de benaming van een deelonderzoek gebruiken. Lange duur van het proces Verdachte is op 13 december 2014 aangehouden. Pas op 5 februari 2018 heeft de rechtbank op de terechtzitting met de inhoudelijke behandeling van het onderzoek Vandros tegen verdachte, kunnen beginnen. Verdachte bevindt zich tot op de dag van vandaag in voorlopige hechtenis. Deze onwenselijk lange periode van voorarrest is echter niet het gevolg geweest van omstandigheden die hadden moeten en kunnen worden voorkomen. De wisseling van raadsman door verdachte, in mei 2016, heeft een vertraging van meer dan een jaar veroorzaakt, waarvan niemand een verwijt kan worden gemaakt. Door de officieren van justitie is aan nagenoeg alle onderzoekswensen van de verdediging gehoor gegeven, wat deels een verklaring is voor de duur van het vooronderzoek. Mediabelangstelling De rechtbank is zich vanzelfsprekend, juist gegeven de voortdurende en opvallende aandacht voor de zaak in de media, terdege bewust van de afstand die zij moet nemen van beelden die in de media worden geschetst. Het moge duidelijk zijn geworden dat de rechtbank die afstand ook heeft gehouden gedurende het proces Vandros. En hoewel de pers op alle zittingsdagen ruimschoots aanwezig was, heeft die aanwezigheid geen enkele invloed gehad op het onderzoek ter terechtzitting en de rust waarin dit onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet zich, net als in elk ander strafrechtelijk onderzoek, gesteld voor de vraag of verdachte schuldig is aan de hem ten laste gelegde strafbare feiten. De rechtbank baseert haar oordeel of bewezen is dat door verdachte de ten laste gelegde feiten zijn begaan, net als in elk ander strafrechtelijk onderzoek, enkel op de inhoud van het onderzoek en op wat in het onderzoek op de terechtzitting naar voren is gekomen. 2. Tenlastelegging Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van: Zaak A, feit 1, eerste en tweede cumulatief (zaaksdossier Vandros/Agenda) Het in de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de moord op [slachtoffer 5] , gepleegd op 2 november 2005 te Amsterdam, en het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] . Zaak A, feit 2, eerste en tweede cumulatief (zaaksdossier Vandros/Perugia) Het in de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 april 2006 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de moord op [slachtoffer 6] , gepleegd op 20 april 2006 te Amsterdam, en het medeplegen van de moord op [slachtoffer 6] . Zaak A, feit 3 (zaaksdossier Vandros/criminele organisatie) De deelneming aan een criminele organisatie, gericht op het plegen van moorden en vuurwapendelicten, in de periode van 1 januari 2002 tot 1 mei 2006 in Nederland. Zaak B, feit 1, eerste en tweede cumulatief (zaaksdossier Vandros/Viool) Het in de periode van 1 januari 2001 tot en met 24 januari 2003 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de moord op [slachtoffer 1] , gepleegd op 24 januari 2003 te Amstelveen, en het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] . Zaak B, feit 2 (zaaksdossier Vandros/Viool) Het in de periode van 1 januari 2001 tot en met 24 januari 2003 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de doodslag op [slachtoffer 2] , gepleegd op 24 januari 2003 te Amstelveen. Zaak B, feit 3, eerste en tweede cumulatief (zaaksdossier Vandros/Enclave) Het in de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de moord op [slachtoffer 3] , gepleegd op 17 mei 2004 te Amsterdam, en het medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] . Zaak B, feit 4 (zaaksdossier Vandros/Enclave) Het in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 17 mei 2004 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de poging tot doodslag op [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] , gepleegd op 17 mei 2004 te Amsterdam, althans het medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de zware mishandeling van [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] . Zaak C, feit 1, eerste en tweede cumulatief (zaaksdossier Vandros/Boeddha) Het in de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de moord op [slachtoffer 4] , gepleegd op 2 november 2005 te Nongprue (Pattaya) in Thailand, en het medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] . Zaak C, feit 2, eerste en tweede cumulatief (zaaksdossier Vandros/Fazant) Het in de periode van 1 januari 2002 tot en met 26 februari 2002 medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de poging tot moord op [slachtoffer 4] , gepleegd op 26 februari 2002 te Amsterdam, en het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 4] . De tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3. Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten, de officieren van justitie zijn ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4. Waardering van het bewijs A. Vrijspraken Vrijspraak van de als tweede cumulatief ten laste gelegde feiten (medeplegen moord) In de tenlastelegging is telkens met betrekking tot de moorden op [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en met betrekking tot de poging moord op [slachtoffer 4] , als tweede cumulatief ten laste gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van die moord. De rechtbank is, net als de officieren van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, omdat telkens niet is gebleken van een zodanige rol van verdachte dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van die moorden. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het in zaak A onder 1, tweede cumulatief ten laste gelegde (Agenda), het in zaak A onder 2, tweede cumulatief ten laste gelegde (Perugia), het in zaak B onder 1, tweede cumulatief ten laste gelegde (Viool), het in zaak B onder 3, tweede cumulatief ten laste gelegde (Enclave), het in zaak C onder 1, tweede cumulatief ten laste gelegde (Boeddha) en het in zaak C onder 2, tweede cumulatief ten laste gelegde (Fazant). Vrijspraak van de primair ten laste gelegde uitlokking poging moord op [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] De rechtbank is -met de officieren van justitie en de verdediging- van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak B onder 4 primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van opzettelijke uitlokking van de poging tot moord op [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] (Enclave). B. Het bewijs I. Algemeen I.1. Inleiding Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet met anderen, opdracht heeft gegeven voor vijf moorden, een doodslag, een poging tot moord en een poging tot doodslag. Meer juridisch gezegd wordt verdachte verweten dat hij anderen heeft uitgelokt die moordaanslagen te plegen, door hen middelen en inlichtingen te geven en geld te beloven en te betalen. Van een afstand beschouwd, stelt de rechtbank vast dat de conclusie van de officieren van justitie dat verdachte de uitlokker is van deze moordaanslagen, is gebaseerd op -met name- de verklaringen van getuigen over concrete gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt met verdachte, dan wel in relatie tot verdachte. Die verklaringen en gebeurtenissen zijn door de officieren van justitie in een groter verband van criminele samenwerking geplaatst. Daartegenover staat, vanaf diezelfde afstand beschouwd, de ontkenning van verdachte bij enige moord betrokken te zijn. Volgens verdachte heeft hij, om verschillende redenen, weliswaar contacten onderhouden met personen uit de zware georganiseerde criminaliteit, maar dat wil volgens verdachte niet zeggen dat hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten met die personen. Verdachte heeft gesteld dat getuigen die belastend over hem verklaren, liegen. Ter onderbouwing daarvan hebben verdachte en zijn raadslieden gewezen op de mogelijke motieven van die getuigen om ten onrechte belastend over hem te verklaren. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op de mogelijke motieven van anderen om de slachtoffers van de ten laste gelegde moorden om te willen brengen, zoals die volgens verdachte blijken uit andere opsporingsonderzoeken, journalistieke publicaties en informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (tegenwoordig Team Criminele Inlichtingen en daarom hierna: CI(E)). De rechtbank staat voor de vraag of de verklaringen van de getuigen uit het onderzoek Vandros bruikbaar zijn voor het bewijs, en in samenhang met andere onderzoeksresultaten kunnen dienen tot bewijs van de aan verdachte ten laste gelegde uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] en doodslag van [slachtoffer 2] , van de moord op [slachtoffer 3] en de zware mishandeling van [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] , van de aanslag en van de moord op [slachtoffer 4] , van de moord op [slachtoffer 5] en van de moord op [slachtoffer 6] . Voorafgaand aan het onderzoek naar de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van die getuigenverklaringen overweegt de rechtbank over de achtergrond waartegen zij dat onderzoek zal doen, het volgende. Uitlokken van moord in het zware criminele milieu In het milieu van de zware georganiseerde misdaad, dat naar voren komt uit het onderzoek Vandros met de daartoe behorende onderzoeken zoals Passage en Kolbak, blijkt geld de spil waar alles om draait. Liquidaties blijken onlosmakelijk verbonden te zijn met het zware criminele milieu. Degenen die macht en geld bezitten, willen dat behouden of vergroten. Zij bepalen wie er niet past in dat streven en geven opdracht wie er dood moet. Degenen die er geld aan willen verdienen, en soms ook macht in het milieu mee willen verwerven, zijn bereid als tussenpersoon een moord te regelen of als dader uit te voeren. In het criminele milieu geldt het recht van de sterkste en daarmee is iemand met (meer) geld en macht een potentieel gevaar. Onderzoek Vandros Voor een aantal van de moorden, waarvan verdachte in het onderzoek Vandros wordt beschuldigd de (mede-)opdrachtgever te zijn, geldt dat de daders, de tussenpersonen en een opdrachtgever inmiddels onherroepelijk zijn veroordeeld voor hun aandeel in die moorden. De onderzoeken die het betreft, lijken exemplarisch te zijn voor hoe het er aan toegaat in het milieu van de zware georganiseerde criminaliteit. Uit het opsporingsonderzoek naar de moord op [slachtoffer 5] (Agenda) en de daarop gevolgde onherroepelijke veroordeling van de betrokkenen daarbij in het Passageproces, is gebleken dat [slachtoffer 5] is doodgeschoten door [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en de kroongetuige [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] ontving zijn orders, de nodige wapens en zijn beloning van [naam 1] . [naam 1] ontving zijn opdrachten, informatie en geld van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] (hierna: [naam 4] ). [naam 1] bleek in staat bij anderen wapens en auto’s te kunnen regelen. Uit het opsporingsonderzoek naar de moord op [slachtoffer 6] (Perugia) en de daarop gevolgde onherroepelijke veroordelingen van de betrokkenen daarbij in het Passageproces, is gebleken dat [naam 1] en [naam 2] hebben geprobeerd om [slachtoffer 6] dood te schieten. De rolverdeling was gelijk aan die bij de moord op [slachtoffer 5] ; [naam 2] ontving orders en wapens van [naam 1] . Ook voor deze moord had [naam 3] aan [naam 1] de opdracht verstrekt. [naam 4] betaalde. Nadat [naam 1] en [naam 2] zich hadden moeten terugtrekken omdat zij door [slachtoffer 6] waren gezien, heeft [naam 5] (hierna: [naam 5] ), ook kroongetuige, het op zich genomen om de liquidatie van [slachtoffer 6] te regelen. [naam 5] nam de opdracht over van [naam 1] en had in dat kader ook contact met [naam 3] , van wie [naam 5] ook aanwijzingen kreeg. [naam 5] was met [naam 6] (hierna: [naam 6] ) en [naam 7] (hierna: [naam 7] ) overeengekomen dat zij de moord zouden plegen. [naam 5] en [naam 1] hebben [naam 6] en [naam 7] de nodige informatie, wapens en een auto verschaft. [naam 5] heeft hen na afloop geld gegeven. In de opsporingsonderzoeken Viool, Enclave, Fazant en Boeddha zijn aanwijzingen te vinden dat het bij de moord op [slachtoffer 1] , de doodslag op [slachtoffer 2] , de moord op [slachtoffer 3] en de aanslag en de moord op [slachtoffer 4] , op soortgelijke wijze is gegaan. In grote lijnen was het zo dat degenen die de moorden pleegden dat deden voor geld en in opdracht van anderen. De personen van wie zij de opdracht, inlichtingen en geld ontvingen, handelden weer in opdracht van (een) ander(en); de werkelijke opdrachtgever(s). Positie van de opdrachtgever De opsporingsonderzoeken laten zien dat, bij deze werkwijze, degene die de moordopdracht in gang heeft gezet zo ver mogelijk buiten beeld blijft van de uitvoerders van de moord. Voor zover nodig laat de opdrachtgever slechts merken dat hij macht heeft en goed is voor zijn geld. Voor het slachtoffer en zijn omgeving, en voor politie en justitie, wil de opdrachtgever helemaal buiten beeld blijven. De opdrachtgever is er alles aan gelegen geen sporen achter te laten. Het is niet moeilijk voor te stellen welke manieren van doen hierbij horen. Communicatie vindt alleen plaats als dat noodzakelijk is, en dan op een wijze die niet kan worden onderschept. Fouten in de uitvoering door, of loslippigheid van de daders of tussenpersonen, worden bestraft met geweld. Praten met de politie kost je je leven. Dat dit ook daadwerkelijk zo gaat, is gebleken uit de omstandigheid dat pas door verklaringen van zogenoemde kroongetuigen, die zelf betrokken waren bij deze moorden, duidelijk is geworden wie de opdracht heeft gegeven voor de moorden op [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . Uit die verklaringen blijkt de rolverdeling zoals hiervoor geschetst en de bijbehorende manier van communicatie en gedrag. De betrokkenen bij deze liquidaties, van opdrachtgever tot uitvoerder, communiceerden op manieren die niet of moeilijk te onderscheppen waren, zoals met gebruikmaking van semafoons en gecodeerde telefoonnummers, het niet spreken over de telefoon en door ontmoetingen op locaties waarover vaste afspraken bestonden, zodat die niet benoemd hoefden te worden. Bewijs Voor de beantwoording van de vraag wie de uitvoerders van de aan verdachte tenlastegelegde moorden zijn geweest, is in een aantal onderzoeken naast getuigenbewijs ook technisch bewijs voorhanden. Het onderzoek Vandros bevat voor de beantwoording van de vraag of verdachte opdrachtgever is van de hem verweten moorden nauwelijks ander bewijs dan getuigenbewijs. De rechtbank staat voor de taak die getuigenverklaringen, die wijzen naar verdachte als opdrachtgever van de moorden, te toetsen op hun betrouwbaarheid en hun bewijskracht. Betrouwbaarheid van het getuigenbewijs Van het zoveel mogelijk uit beeld blijven door de opdrachtgever, is het gevolg dat niet alle betrokkenen bij de liquidaties op de hoogte zijn van de persoon van de opdrachtgever(

  1. s)en de achtergrond, context en motieven voor de moorden. Dat kan leiden tot eigen invulling van de betrokkenen die die informatie missen. Daarnaast is het mogelijk dat getuigen die zelf deel uit maken van het criminele milieu (nog) andere belangen hebben dan het boven water brengen van de waarheid. Een voorbeeld van zo’n belang is het zo veel mogelijk reduceren van een eigen aandeel in strafbare feiten. Behoedzaamheid is dus geboden bij de beoordeling van verklaringen die wijzen naar een opdrachtgever, in die zin, dat nog meer dan gewoonlijk telt welke getuige wat zegt en hoe die getuige dat weet. Tegelijkertijd betekent dit dat in het geval dat een getuigenverklaring op één of meer onderdelen onjuist moet worden geacht, dit niet meebrengt dat daarom de gehele verklaring als onbetrouwbaar buiten beschouwing moet worden gelaten. In dit licht zal de rechtbank de verklaringen van de getuigen, kroongetuigen of niet, op hun betrouwbaarheid beoordelen. Kracht van het (getuigen)bewijs Om vast te stellen wie de opdrachtgever voor een moord is, zal, gezien de onzichtbare positie die hij naar de uitvoerders en de buitenwereld zoveel mogelijk zal hebben ingenomen, naar de ervaring leert niet veel direct bewijs voorhanden zijn. Daar waar de rechtbank verklaringen betrouwbaar heeft geacht, brengt de verborgen positie van de opdrachtgever met zich mee dat kleine of beperkte aanwijzingen die naar hem leiden, zwaar kunnen wegen bij de beoordeling van de strafrechtelijke betrokkenheid als uitlokker van moord. I.2. Achtergrond: milieu van de zware georganiseerde criminaliteit I.2.1. Andere opsporingsonderzoeken De verdediging heeft tegenover het betoog van de officieren van justitie gesteld, dat het voor de beoordeling van de beschuldiging dat verdachte opdracht heeft gegeven tot moorden, voor de rechtbank van cruciaal belang is dat zij inzicht heeft in het milieu van de zware georganiseerde criminaliteit in en rond Amsterdam, vanaf 1990 tot aan de dag van vandaag. De verdediging heeft zich, aan de hand van andere strafdossiers, CI(E)-informatie en journalistieke publicaties, veel moeite getroost daarvan een beeld te schetsen. Concluderend heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, hoewel het milieu te complex is om aan te kunnen wijzen wie verantwoordelijk is voor welke liquidaties, desalniettemin wél is gebleken dat anderen dan verdachte opdracht daarvoor hebben gegeven. Voor de rechtbank is met de bestudering van het onderzoek Vandros duidelijk geworden dat in het milieu van de zware georganiseerde criminaliteit voor alle deelnemers het eigen financieel belang en het verkrijgen of behouden van macht altijd eerst komt. Loyaliteit, vertrouwen en respect voor het leven van een ander tellen alleen maar voor zolang dat het eigen belang dient. Onduidelijkheid over ‘wie met wie is’, waarom, sinds wanneer en voor hoe lang, blijkt niet alleen een bescherming te bieden tegen de opsporingsinstanties, maar ook een vruchtbare bodem te zijn voor degenen die in de zware misdaad leven. Zelfs de kopstukken uit dit milieu zijn voortdurend op hun hoede voor verraad, met bijbehorende verrassingen. De verhoudingen en samenwerkingsverbanden zijn veranderlijk en aan de buitenkant niet alleen voor de politie, maar ook voor de deelnemers zelf niet altijd zichtbaar. Geen van de deelnemers aan dit milieu heeft volledig overzicht over wat zich precies afspeelt; dat is juist het fundament waarop deze wereld van macht, geweld en wetteloosheid is gebouwd, waarin iedereen die ermee te maken heeft, vreest voor zijn leven. Dat met de bestudering van alle dossiers, CI(E)-informatie en journalistieke publicaties die de verdediging naar voren heeft gebracht, waarheidsgetrouw inzicht verworven zou kunnen worden in het milieu van de zware georganiseerde misdaad in Amsterdam, is dan ook een illusie. Met de waarneming dat het milieu de trekken heeft van een spiegelpaleis en dus moeilijk gekend kan worden, laat de verdediging zien dat zij ook oog heeft voor deze realiteit. De rechtbank ziet, behalve de mogelijkheid, ook de noodzaak niet om inzicht in het criminele milieu vanaf 1990 te verkrijgen voor de beoordeling van de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde: de uitlokking van zes levensdelicten, gepleegd tussen februari 2002 en mei 2006. Slechts voor zover dat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en het gewicht van de onderzoeksresultaten noodzakelijk is, zal de rechtbank gebeurtenissen uit een verder verleden, of gebeurtenissen die zien op andere personen nader beschouwen. I.2.2. CI(E)-informatie Over de waarde die de verdediging hecht aan bepaalde CI(E)-informatie overweegt de rechtbank nog het volgende. In het door [zus 1] opgenomen gesprek ‘Petten’, dat volgens haar heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013, is te horen dat zij verdachte vertelde dat zij een justitiemedewerker, ‘die grappenmaker’, had gesproken die haar vroeg hem een keertje te bellen. Zij vertelde verdachte dat zij het idee had dat die justitiemedewerker iets tegen haar wilde zeggen. Verdachte raadde haar vervolgens aan om die afspraak te maken en dan te zeggen: “U wilde mij spreken, wat kan ik voor je doen”. Dan zou die grappenmaker meteen het idee hebben dat hij haar iets verschuldigd was, zei verdachte tegen [zus 1] . Verdachte voorspelde [zus 1] dat hij zeker zou gaan vragen naar die ‘petten’. Verdachte zei dat [zus 1] hem dan moest zeggen dat verdachte daar heel erg bang voor was. Want, zo legde verdachte uit, je kunt alle kanten op met die klanten. Ze kunnen informatie geven, maar ze kunnen ook informatie maken. Het is een heel spel, want je kunt ze betalen om informatie te geven, maar ook om informatie te maken. Met die petten die plat zijn, kun je wel heel ver gaan, wist verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit gesprek niet alleen zien dat verdachte weet hoe het werkt met het brengen van informatie bij de CI(E), het illustreert ook de reden waarom CI(E)-informatie noch als belastend, noch als ontlastend bewijs kan worden gebruikt bij de beoordeling van een strafdossier. De rechtbank zal daarop dan ook geen acht slaan. I.2.3. Waarde van journalistieke publicaties Uit het onderzoek Vandros komt over de wijze waarop verdachte en (misdaad)journalisten met elkaar omgaan onder meer het volgende naar voren. a. Met betrekking tot de journalist [journalist 1] De geluidsopname ‘ [naam geluidsopname] ’ In deze opname van een gesprek uit het najaar van 2013, van verdachte met [zus 1] en [ex-partner] (hierna: [ex-partner] ), is na 1 uur en 20 minuten te horen dat verdachte aan [zus 1] vertelt over het contact dat verdachte had gehad met [naam 8] (hierna: [naam 8] ), over het artikel dat de journalist [journalist 1] (hierna: [journalist 1] ) ging schrijven over [naam 9] (hierna: [naam 9] ). [naam 9] is doodgeschoten door [naam 10] (hierna: [naam 10] ), zei verdachte tegen [zus 1] . Ook vertelde verdachte haar dat hij, verdachte, via [naam 9] dan wel [naam 10] de eerste ‘Joego’s’ had leren kennen. “Hij was de maffia”, zei verdachte tegen [zus 1] . Verdachte vertelde [zus 1] dat hij met [naam 8] rondreed, toen deze verdachte vroeg waar het graf van [naam 9] te vinden is. [naam 8] vroeg dat omdat [journalist 1] een stuk over [naam 9] ging schrijven. Verdachte had toen [naam 11] (hierna: [naam 11] ), die ooit wereldkampioen worstelen was geweest, opgebeld. Verdachte werd door [naam 11] verafgood, vertelde hij [zus 1] . [naam 11] was bevriend met [naam 9] . Verdachte had tegen [naam 11] gezegd dat [journalist 1] van plan was om een ‘kutstuk’ over [naam 9] te gaan schrijven. Toen verdachte hem vroeg of verdachte ‘het’ moest regelen of dat [naam 11] dat zou doen, is [naam 11] teruggekomen uit Thailand. [naam 11] was vervolgens naar [journalist 1] toegegaan en had tegen hem gezegd: “Luister, ik breek elk bot in je lichaam als je wat verkeerds schrijft”. Verdachte vertelde [zus 1] dat [journalist 1] vervolgens het hele verhaal had omgezet van slecht naar goed, “Zo bang was die [journalist 1] ”, volgens verdachte. Verdachte had ook nog [naam 8] naar [journalist 1] laten bellen, met de boodschap dat er gas gegeven zou gaan worden als het verdachte niet zou bevallen. De geluidsopname ‘ [journalist 1] bellen over boek bij [advocaat 1] ’ In deze opname van een gesprek uit het najaar van 2013 van verdachte met [zus 1] en de toenmalige advocaat van verdachte, mr. [advocaat 1] , is te horen dat zij met elkaar spraken over het manuscript van een gedeelte van het boek ‘ [slachtoffer 1] ’, van [journalist 1] , dat hen door [journalist 1] ter beschikking was gesteld. Verdachte wilde [journalist 1] bellen om te horen wat er nog meer zou komen; verdachte kon het manuscript niet lezen als het niet compleet was. Tussen verdachte, [zus 1] en mr. [advocaat 1] werd besproken of dat ‘handig’ was, want “Als je op die manier reageert, laat je merken dat je het gelezen hebt”. Misschien was het beter om te doen alsof verdachte het niet gelezen had. Verdachte zei dat het de bedoeling was dat zij het helemaal gelezen hadden, zodat [journalist 1] de vervelende dingen eruit kon halen. Verdachte werd er 'zo langzamerhand vervelend van' dat over hem gepubliceerd werd. Verdachte kondigde aan dat hij [journalist 1] zou bellen en tegen hem zou gaan zeggen dat hij het manuscript nog niet had gelezen omdat hij had begrepen dat het nog niet compleet was. Vervolgens is het telefoongesprek van verdachte met [journalist 1] op de opname te horen. Verdachte deed tegenover [journalist 1] alsof hij net zijn advocaat aan de telefoon had gehad en had gehoord dat sommige stukken niet kloppen. Verdachte wilde weten over welke personen [journalist 1] nog meer zou gaan schrijven. Verdachte wilde namen horen en zei dat [journalist 1] niet moeilijk moest doen en gewoon die namen tegen verdachte moest noemen. Verdachte wilde ook weten wat [journalist 1] over hem zou gaan schrijven, of het belastend of vervelend zou zijn. Verdachte maakte [journalist 1] duidelijk dat [journalist 1] niet zou moeten gaan schrijven wat ‘die mensen allemaal’ over verdachte zeiden. Verdachte hoopte dat [journalist 1] en hij daar geen ruzie om zouden krijgen, waar verdachte aan toevoegde: “Begrijp je wat ik bedoel?”. Verdachte wilde vervolgens weten wat er op de cover van het boek zou komen te staan. Hijzelf niet, begreep verdachte, “Heel goed”, zei hij toen. [zus 2] ook niet, concludeerde verdachte uit wat [journalist 1] zei. Verdachte wilde ook dat [journalist 1] zou proberen [zus 2] uit het boek te houden, “Want die heeft het er al moeilijk genoeg mee”. Verdachte wilde van [journalist 1] weten wanneer het hele manuscript zou worden verstrekt en wanneer het boek zou uitkomen. Als verdachte het manuscript gelezen had, zou hij nog dingen met [journalist 1] veranderen. Na afloop van het gesprek met [journalist 1] zei verdachte tegen [zus 1] en mr. [advocaat 1] dat [journalist 1] niets vervelends zou gaan schrijven; [journalist 1] wilde absoluut geen ruzie met verdachte. Mr. [advocaat 1] zei daarop dat de toon van verdachte ook niets aan duidelijkheid te wensen over had gelaten. Verder is te horen op de opname dat verdachte met [zus 1] en mr. [advocaat 1] afsprak wie wanneer het manuscript zou lezen. Verdachte zei dat hij het met [zus 1] zou doornemen en zei vervolgens tegen haar het verder te regelen met zijn advocaat. b. Met betrekking tot de journalist [journalist 2] Naar aanleiding van de verhoren van getuige [journalist 2] (hierna: [journalist 2] ) op de zittingen van 9 april en 22 mei 2018, heeft deze getuige aantekeningen overgelegd die hij heeft gemaakt van een aantal gesprekken die hij in het verleden had gehad met verdachte. De rechtbank heeft van [journalist 2] begrepen dat het steeds verdachte was die contact met [journalist 2] had gezocht als het tot een gesprek kwam. In de gespreksverslagen van [journalist 2] van gesprekken met verdachte op 19 augustus 2004, 6 november 2005 en 6 december 2005 staat die gang van zaken ook met zoveel woorden vermeld. [journalist 2] heeft met verdachte contact gehad op: 11 februari 2003, naar aanleiding van de moord op [slachtoffer 1] ; 14 en 27 juni 2004, naar aanleiding van de moord op [slachtoffer 3] ; 19 augustus 2004, naar aanleiding van de publicatie in ‘De Telegraaf’ dat [slachtoffer 3] een huurmoordenaar had ingeschakeld om verdachte te vermoorden; 22 januari en 25 juni 2005, naar aanleiding van publicaties in ‘de Nieuwe Revu’ over de betrokkenheid van verdachte bij afpersingen; 6 november 2005, naar aanleiding van de moord op [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ), [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en 6 december 2005, omdat verdachte aan [journalist 2] floppy’s met daarop het dossier van [slachtoffer 3] wilde geven. Blijkens de gespreksverslagen heeft verdachte [journalist 2] telkens verteld hoe hij, verdachte, op die betreffende momenten aankeek tegen recente gebeurtenissen in het criminele milieu. [journalist 2] heeft verklaard dat als een persoon contact met hem zoekt, hij er altijd rekening mee houdt dat die persoon iets van [journalist 2] als journalist wil, of dat die persoon aan gebeurtenissen of informatie een bepaalde wending wil geven. Dat was in de gesprekken met verdachte niet anders, zo heeft de rechtbank van [journalist 2] begrepen. Ook is gebleken dat verdachte aan [journalist 2] handgeschreven aantekeningen heeft gegeven, die [journalist 2] bekend zou moeten maken als verdachte na zijn vrijlating uit Kolbak “een onnatuurlijke dood zou sterven”, of wanneer verdachte [journalist 2] daar bij leven toestemming voor, of opdracht toe, zou geven. De aantekeningen heeft verdachte gemaakt in het voorjaar van 2011, nadat hij door de advocaat van [naam 3] was benaderd om als getuige een verklaring over [naam 3] af te leggen. Ten slotte is gebleken dat verdachte, omdat [journalist 2] niet deed wat verdachte wilde, op 25 april 2013 ’s avonds naar het woonhuis van [journalist 2] is gegaan en hem daar heeft bedreigd. [journalist 2] heeft van deze bedreiging aangifte gedaan omdat hij de bedreiging serieus nam en de situatie zeer intimiderend vond. Het gerechtshof Amsterdam heeft bewezen geacht dat verdachte op dreigende toon en wijze met luide en driftige stem tegen [journalist 2] heeft gezegd: “Ik kom je even zeggen, mijn naam niet in de film, geen woord en ook niet in het boek” en “Ben ik duidelijk” en “Mijn naam niet in de film en als je denkt dat je het toch kan doen dan weet je wat er gebeurt” en “Ik dreig niet” en “Wat zei je daar?” en “Moet ik het nu afmaken! Wil je dat ik het nu doe?” en “Ga maar aangifte doen als je wilt. Haal de politie er maar bij en laat je vrouw maar getuigen. Het maakt allemaal niets uit, je weet wat er gaat gebeuren hè” en “Je weet wat er gebeurt hè” en “Als je de politie belt dan zal je het wel weten; ik dreig niet maar ik doe!” en “Niemand die mij tegenhoudt” en “Vuile kankerhond dat je er bent”. Gelet op de woorden die verdachte heeft gebruikt, heeft verdachte beoogd [journalist 2] niet alleen vanwege de film, maar ook als journalist de mond te snoeren. c. Met betrekking tot de journalist [journalist 3] [ex-partner] heeft in haar kluisverklaring van 9 februari 2015 verteld dat verdachte na de dood van [slachtoffer 3] een boek wilde laten schrijven door [journalist 3] . Daarin zou uitgelegd worden hoe alles was gegaan. Verdachte heeft in 2004 verschillende personen laten interviewen door [journalist 3] , waaronder [ex-partner] zelf. Het interview vond plaats in het Amstelhotel. [ex-partner] moest van verdachte bepaalde dingen vertellen; ze weet niet meer precies wat, maar ze neemt aan het verhaal, zoals zij dat toen beleefd had, van de afpersing van haar door [slachtoffer 4] , en dat verdachte dan de grote held was. Verdachte heeft toen ook geregeld dat [journalist 3] [naam 12] (hierna: [naam 12] ) zou interviewen. [ex-partner] heeft [naam 12] toen gezien in het Amstelhotel. Van verdachte had zij daarna gehoord dat [naam 12] ook was geïnterviewd. In haar verklaring van 18 juli 2015 heeft [ex-partner] daar nog aan toegevoegd dat het in 2004 of 2005 was, vóór de arrestatie van verdachte in Kolbak in ieder geval. Zij heeft aan [journalist 3] precies verteld wat zij van verdachte moest zeggen. De antwoorden werden door [journalist 3] opgenomen. Verdachte zat bij het gesprek dat zij met [journalist 3] had en als verdachte tussendoor iets wilde zeggen, zette [journalist 3] de opnameapparatuur uit. Verdachte heeft [ex-partner] een aantal keer gecorrigeerd, omdat zij iets niet goed vertelde volgens verdachte, of omdat zij iets zei wat ze juist niet moest zeggen. Of omdat zij vergat iets te zeggen wat hij juist belangrijk vond. Het was de bedoeling dat zij ‘verdachte’s waarheid’ zou weergeven. Op 11 mei 2017 heeft [ex-partner] tegenover de rechter-commissaris verklaard dat verdachte haar gesprek met [journalist 3] regisseerde. Verdachte overlegde met haar wat ze moest zeggen; dan stond de recorder uit. De recorder werd vervolgens weer aangezet als zij aan het woord kwam. Nadat verdachte was aangehouden in het onderzoek Kolbak, heeft verdachte zich in zijn eerste verhoor, op 30 januari 2006, op zijn zwijgrecht beroepen. Op 31 januari 2006, toen hij voor de tweede keer werd verhoord, heeft verdachte verklaard dat de waarheid boven water zou komen, dat hij alles kon bewijzen en dat hij dat ook zeker zou gaan doen. Verdachte heeft daar aan toegevoegd dat het enige dat de verhoorders moesten doen, was wachten op het boek van [journalist 3] . Voor het overige heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. In het derde verhoor, ook op 31 januari 2006, heeft verdachte een verklaring afgelegd waarin hij heeft ontkend [slachtoffer 3] te hebben afgeperst, welke verklaring hij heeft ingeleid met de opmerking dat binnenkort een boek van [journalist 3] zou verschijnen waarin de hele waarheid omtrent [slachtoffer 3] zou worden verteld. [zus 1] heeft in februari 2013 tegenover de CI(E)-officier van justitie mr. Wind verklaard dat verdachte de journalist [journalist 3] gebruikt om “alibi’s voor hem op te schrijven”. In de stukken van [journalist 3] herkende [zus 1] de onwaarheden en de woorden van verdachte. Kort na de liquidatie van [slachtoffer 9] (hierna: [slachtoffer 9] ) op 10 oktober 2000 rond 16.30 uur, heeft de politie nog diezelfde dag [slachtoffer 4] en verdachte onder observatie genomen. Van wat wordt waargenomen, is op 11 oktober 2000 proces-verbaal opgemaakt. Daaruit blijkt dat verdachte zich enkele uren na de moord, samen met [slachtoffer 4] , verplaatste in een blauwe BMW, met kenteken [kenteken] , met verdachte als bestuurder. Gezien is dat verdachte om 22.47 uur de BMW parkeerde op de Dam. Verdachte stapte daar uit, haalde een bruine tas uit de kofferbak en liep daarmee in de richting van hotel Krasnapolsky. [slachtoffer 4] was ook uitgestapt. Eén minuut later kwamen beiden uit het hotel gelopen en bleven zij voor het hotel staan wachten. Om 23.00 uur maakte verdachte contact met twee onbekend gebleven personen, waarna [slachtoffer 4] in de Warmoesstraat met één van die personen praatte. Verdachte liep even later al pratend met diezelfde persoon verder de Warmoesstraat in. De politie vermoedde dat de onbekend gebleven mannen Joegoslaven waren. Uit het proces-verbaal van observatie blijkt verder dat de politie vermoedde dat verdachte en [slachtoffer 4] een ontmoeting zouden gaan hebben met de journalist [journalist 3] bij het kantoor van de advocaat mr. [advocaat 2] (hierna: mr. [advocaat 2] ). Om 23.50 uur werd door de politie waargenomen dat bij het kantoor van mr. [advocaat 2] een motorfiets stilstond; de bestuurder was de journalist [journalist 3] . Om 23.54 uur kwamen verdachte en [slachtoffer 4] ook daar aan. Nadat zij beiden contact met [journalist 3] hadden gemaakt, gaan zij gedrieën, na aanbellen, het kantoor van mr. [advocaat 2] binnen. Om 01.10 uur, inmiddels 11 oktober 2000, kwamen verdachte en [slachtoffer 4] weer naar buiten en reden zij in de donkerblauwe BMW met kenteken [kenteken] , via een tussenstop van 30 minuten in een woning aan de [kade] , en via een tussenstop van 20 minuten in het flatgebouw aan de [laan] , waar zowel verdachte als [slachtoffer 4] een appartement bewoonden, naar de woning van [slachtoffer 3] aan de [adres] . Enkele minuten later reden zij daar weer weg. Om 02.07 uur werd de BMW met daarin verdachte en [slachtoffer 4] uit het oog verloren. Oordeel rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank rijst uit de bovenstaande opnames, verklaringen en observaties het beeld op dat verdachte naar behoefte contacten legde met misdaadjournalisten, waarbij opvalt dat dit meer dan eens direct na belangrijke gebeurtenissen in het criminele milieu was, zoals na de moord op [slachtoffer 9] . Ook blijkt dat verdachte bewust beïnvloedde wat journalisten te weten kwamen en publiceerden. Verdachte deinsde er daarbij ook niet voor terug te dreigen met ruzie en geweld, om hem onwelgevallige publicaties te voorkomen. Verdachte heeft zelfs een ander voor zijn karretje gespannen om een journalist, onder dreiging van geweld, te bewegen een bepaalde publicatie achterwege te laten. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte dit telkens heeft gedaan uit eigenbelang. Gezien alleen al deze manier van omgaan van verdachte met misdaadjournalisten, kan de rechtbank niet anders dan voorbij gaan aan het pleidooi van de verdediging om bij de beoordeling van de strafzaak tegen verdachte af te gaan op wat journalisten schrijven over verdachte en het criminele milieu waarin verdachte verkeerde, of waarmee de slachtoffers in deze zaak te maken hadden. Hoe verdachte met journalisten omgaat, en datzelfde zal ongetwijfeld ook gelden voor andere personen uit de zware (georganiseerde) criminaliteit, laat naar het oordeel van de rechtbank juist zien dat aan publicaties over het criminele milieu op grond van gesprekken met criminelen weinig waarde kan worden gehecht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om op de inhoud van publicaties die door de verdediging zijn aangehaald, in te gaan. I.2.4. Angst Voorafgaand aan de beoordeling door de rechtbank van het getuigenbewijs in deze zaak, voor zover nodig ambtshalve en aan de hand van de door de verdediging gevoerde verweren, hecht de rechtbank eraan nog een en ander op te merken over haar waarneming hoezeer angst regeert in de wereld van de zware georganiseerde misdaad. De angst voor dodelijke reacties vanuit dat milieu blijkt uit de verklaringen van verdachte zelf, wanneer hij spreekt over zijn eigen veiligheid en beveiliging. Verdachte heeft meer dan eens uit de doeken gedaan dat het erom gaat jezelf zodanig te beveiligen dat je niet verrast kunt worden, niet getroffen kunt worden door ‘een klap in het donker’. Gevaar kun je van alle kanten verwachten, volgens verdachte, die verder heeft verklaard dat hij altijd zijn best heeft gedaan niet goed vindbaar en wel goed geïnformeerd te zijn, en zichzelf goed te beveiligen. Hij is daarin ook geslaagd, want hem is, in tegenstelling tot veel anderen, niets overkomen, aldus verdachte. Ook komt doodsangst naar voren uit de verklaringen van vele getuigen in dit onderzoek. Niet alleen degenen die vertellen over gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt die in verband kunnen worden gebracht met de aan verdachte ten laste gelegde moorden, laten merken dat zij vrezen voor hun leven. Ook verschillende andere getuigen, die weinig tot niets belastends over verdachte zeggen, laten weten bang te zijn voor represailles. Angst lijkt door een aantal getuigen ook te worden gecamoufleerd: door een grote behoedzaamheid en terughoudendheid daar waar het op het noemen van namen aankomt, door wantrouwen jegens andere getuigen, dan wel door afstand te nemen en te spreken van slechts ‘gehoorde verhalen’, het niet (meer) kunnen noemen van bronnen, door te spreken van ‘conclusies na analyses’ en door te verklaren het toen niet hebben durven zeggen en het nu niet meer te weten, of door te zeggen dat er zoveel gebeurde in die tijd en dat het chaotisch was. Vastgesteld moet worden dat nagenoeg al diegenen die bereid of genoodzaakt zijn geweest te verklaren over wat zij hebben meegemaakt in het zware criminele milieu, of wat zij hebben gehoord van personen uit of verbonden met dat milieu, door justitie op één of andere manier bescherming is geboden. Daar waar de verdediging heeft gesteld dat deze verklaringen onbetrouwbaar moeten worden geacht, omdat zij worden afgelegd uit eigenbelang, kan de rechtbank er niet omheen dat deze getuigen, vanwege de inhoud van hun verklaringen, in beginsel terecht bang zijn dat door samen te werken met justitie hun leven op het spel is komen te staan. Het is een feit dat meerdere slachtoffers uit dit dossier, voorafgaand aan hun dood, spraken met de politie. II. Getuigen II.1. Kroongetuigen Twee getuigen die zelf deel uitmaakten van de criminele onderwereld en er pas in ruil voor toezeggingen en getuigenbeschermingsmaatregelen toe over zijn gegaan verklaringen over verdachte af te leggen, zijn de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] . II.1.1. De verklaringsafspraak, getuigenbescherming Inleiding Het openbaar ministerie heeft met twee verdachten in het onderzoek Passage een zogenoemde kroongetuigenovereenkomst gesloten. Het gaat om de -destijds verdachten, inmiddels onherroepelijk veroordeelden- [naam 2] en [naam 5] . De officieren van justitie hebben de verklaringen van deze getuigen ook aan het strafrechtelijk onderzoek Vandros tegen verdachte toegevoegd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat de verklaringen van deze twee kroongetuigen ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat met hen overeenkomsten zijn gesloten die onrechtmatig zijn. Gezien de wijze waarop en de frequentie waarmee deze onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, is er volgens de verdediging sprake van een structurele werkwijze van het openbaar ministerie, die vanwege de onrechtmatigheid daarvan, bewijsuitsluiting tot gevolg moet hebben. De officieren van justitie hebben betoogd dat uit de arresten van 29 juni 2017 van het gerechtshof Amsterdam in Passage ( onder meer ECLI:NL:GHAMS:2017:2497) blijkt dat de overeenkomsten rechtmatig zijn, zodat er geen reden is om de verklaringen van het bewijs uit te sluiten. De wettelijke regeling Artikel 226g Sv luidt, voor zover van belang: Lid 1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar misdrijven, als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid. Lid 2. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van: a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen; b. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft; c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan deze bereid is te voldoen; d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie. Lid 3. Op vordering van de officier van justitie toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak. De officier van justitie verschaft de rechter-commissaris de gegevens die hij voor de beoordeling daarvan behoeft. 4. Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd. Artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt, voor zover van belang: Lid 1. Op vordering van de officier van justitie kan de rechter na een op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gemaakte afspraak de straf verminderen die hij overwoog op te leggen op de in het tweede lid bepaalde wijze. Bij de strafvermindering houdt de rechter ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven. Lid 2. Bij toepassing van het eerste lid kan de strafvermindering bestaan in: a. maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf, taakstraf of geldboete, of b. (…) c. (…) De arresten van 23 april 2019 van de Hoge Raad Voor de beoordeling van het standpunt van de verdediging zijn van belang de tijdens het Vandrosproces gewezen arresten van 23 april 2019 van de Hoge Raad (waaronder ECLI:NL:HR:2019:600) over de uit het Passageproces voortkomende vragen over de kroongetuigenovereenkomsten met [naam 2] en [naam 5] , te weten: 1. zijn aan deze kroongetuigen, in ruil voor het afleggen van verklaringen over verschillende tenlastegelegde feiten, toezeggingen gedaan die de wet niet toestaat;2. zijn voor deze getuigen getuigenbeschermingsmaatregelen getroffen die ten onrechte niet zijn getoetst door een rechter? Daarnaast heeft de Hoge Raad nog andere, voor de beoordeling van de zaak tegen verdachte, relevante conclusies getrokken. De zitting in Vandros van 9 mei 2019 Gezien de wijze waarop de Hoge Raad deze vragen heeft beantwoord, heeft de verdediging zich op 9 mei 2019 op het standpunt gesteld dat de rechtbank het juridisch kader zoals de Hoge Raad dat heeft geschetst, naast zich neer moet leggen en in plaats daarvan acht moet slaan op wat in het verleden door parlementariërs is bepleit over de uitvoering van de regeling. De officieren van justitie hebben verwezen naar hun reeds bij requisitoir ingenomen standpunt dat zij met het arrest van de Hoge Raad zien bevestigd, te weten dat de rechtbank de door hen genoemde conclusies van het gerechtshof Amsterdam in Passage als richtlijn kan volgen in de zaak Vandros. Oordeel rechtbank Als cassatierechter heeft de Hoge Raad ingevolge artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie de wettelijke taak rechtsvragen te beantwoorden. De Hoge Raad draagt zo bij aan de ontwikkeling van het recht en de rechtsbescherming. Ook zorgt de Hoge Raad zo voor rechtseenheid. Met de uitleg van de Hoge Raad in de arresten in het Passageproces van 23 april 2019 is duidelijkheid gekomen over de (uitleg van
  2. de)wettelijke regeling van de kroongetuige, waaraan in de rechtspraktijk behoefte bestond, zoals is gebleken uit de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 29 juni 2017 in het Passageproces en de conclusies van de Advocaat-Generaal mr. A.E. Hartveld in dat proces, genomen op 18 december 2018. Dat die uitleg afwijkt van wat in het verleden door parlementariërs is bepleit, is geen aanleiding om de inhoud van de arresten op dat punt ter zijde te schuiven. II.1.1.1. Kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] a. Afspraak om van ontneming af te zien Met de getuige [naam 2] is door de Staat der Nederlanden op 20 februari 2007 onder meer het volgende overeengekomen: “Het openbaar ministerie zal om redenen van opportuniteit in de zaak [slachtoffer 5] geen ontnemingsmaatregel vorderen aangezien dit zich niet verdraagt met de financiële positie van de getuige die -voor zover thans bekend- geen verhaal mogelijk maakt, gezien ook in het licht van de naar verwachting te nemen (financiële) maatregelen in het kader van getuigenbescherming (…). Op deze beslissing zal kunnen worden teruggekomen indien na het sluiten van deze overeenkomst zou blijken dat er reële en substantiële mogelijkheden voor verhaal zijn.” Met de getuige [naam 5] is door de Staat der Nederlanden op 11 september 2014 onder meer overeengekomen dat door het openbaar ministerie uit opportuniteitsoverwegingen wordt afgezien van een vordering tot ontneming van het door de getuige verkregen wederrechtelijk voordeel, tenzij omstandigheden die ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst nog niet bekend waren aanleiding geven tot wijziging van dit standpunt. Daarbij is door het openbaar ministerie in aanmerking genomen dat het in de fase van hoger beroep rechtsgeldig indienen van een ontnemingsvordering zonder dat een voornemen daartoe tijdig is aangekondigd in beginsel niet mogelijk is en dat uit jurisprudentie blijkt dat van dit uitgangspunt slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken. Standpunten partijen De verdediging heeft het verweer gevoerd dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een dergelijke toezegging, in de vorm van een afspraak over de ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel met een kroongetuige, niet geoorloofd is. Nu het openbaar ministerie hiertoe wel is overgegaan en zich bewust aan de kaders van de wet heeft onttrokken, is er sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dan wel van een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De officieren van justitie hebben naar voren gebracht dat de bevoegdheid om een dergelijke afspraak met de getuige te maken, berust op het opportuniteitsbeginsel en niet in strijd is met de wet. Oordeel rechtbank Op de voet van de arresten van 23 april 2019 van de Hoge Raad (waaronder ECLI:NL:HR:2019:600) is de rechtbank van oordeel dat artikel 226g, eerste lid, Sv niet afdoet aan de algemene bevoegdheid die op grond van artikel 511c Sv toekomt aan de officier van justitie om, zonder enige vorm van rechterlijke tussenkomst, met een verdachte een schriftelijke schikking aan te gaan over de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Redelijke wetstoepassing brengt met zich, dat de officier van justitie de rechter-commissaris van de totstandkoming en de schikking dient te informeren. Zo is gewaarborgd dat kenbaar is dat de schikking als bedoeld in artikel 511c Sv is overeengekomen. Toegepast op de overeenkomsten van de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] is de rechtbank van oordeel dat geen rechtsregels zijn geschonden voor zover met [naam 2] en [naam 5] een afspraak is gemaakt over de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het verweer wordt dan ook verworpen. b. Getuigenbescherming Standpunten partijen Met betrekking tot de op grond van artikel 226l, eerste lid, Sv getroffen maatregelen van getuigenbescherming ten behoeve van de getuigen [naam 2] en [naam 5] , heeft de verdediging het verweer gevoerd dat die maatregelen, op grond van wat aan het licht is gekomen over de inhoud en de totstandkoming daarvan, moeten worden beschouwd als een toezegging in ruil voor verklaringen, zoals bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv. Ook afgezien hiervan zijn de officieren van justitie gehouden meer openheid van zaken te geven, zodat een rechterlijke toetsing van die maatregelen kan plaatsvinden. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat voor rechterlijke toetsing van de maatregelen van getuigenbescherming in de wet geen plaats is ingeruimd en terecht achterwege is gebleven. Oordeel rechtbank Op grond van artikel 226l, eerste lid, Sv kan de minister van Justitie en Veiligheid specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van de getuige als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv. De inhoud van de maatregelen die de minister voornemens is te treffen, kan van invloed zijn op de totstandkoming van de afspraak met de getuige als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv. Op de voet van de arresten van 23 april 2019 van de Hoge Raad (waaronder ECLI:NL:HR:2019:600) is de rechtbank van oordeel dat de toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige geen onderdeel uitmaken van de afspraak bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv. Evenmin zijn er andere wettelijke bepalingen die tot meer openheid van zaken over deze maatregelen verplichten. Daar komt nog bij dat die verplichting onverenigbaar zou zijn met het doel van bescherming van de getuige, temeer omdat de huidige wet geen regeling kent die de veiligheid van de getuige kan garanderen door middel van afscherming van processtukken. Het verweer wordt verworpen. II.1.1.2. Kroongetuige [naam 2] a. Strafeis en omvang van de vervolging Standpunten partijen Volgens de verdediging is de aan de getuige [naam 2] toegezegde strafeis van zestien jaren gevangenisstraf vergeleken met andere zaken dermate laag, dat deze moet worden gezien als een verkapte toezegging tot strafvermindering waarmee het maximum van strafvermindering wordt overschreden. Ook het niet vervolgen van [naam 2] voor strafbare feiten waarvoor volgens de verdediging wel betrokkenheid van [naam 2] blijkt, moet worden gezien als een verkapte toezegging tot immuniteit in ruil voor verklaringen. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zich ook op dit punt zou moeten aansluiten bij het oordeel van het gerechtshof Amsterdam in de arresten van 29 juni 2017 (waaronder ECLI:NL:GHAMS:2017:2497), inhoudende dat marginaal toetsend het openbaar ministerie in redelijkheid van vervolging voor voorbereiding van de moord op [naam 13] (hierna: [naam 13] ), [naam 14] (hierna: [naam 14] ) en [naam 15] (hierna: [naam 15] ) en deelneming aan een criminele organisatie, heeft kunnen afzien. Ook heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de strafeis van zestien jaren gevangenisstraf kunnen komen. Oordeel rechtbank De rechtbank overweegt op de voet van de arresten van 23 april 2019 van de Hoge Raad (waaronder ECLI:NL:HR:2019:600), dat zij met het verweer van de verdediging staat gesteld voor de vraag of over deze beslissingen een met artikel 226g Sv onverenigbare afspraak met de getuige [naam 2] tot stand is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 226g Sv niet afdoet aan de algemene bevoegdheid die op grond van artikel 167 Sv toekomt aan de officier van justitie om naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek van vervolging af te zien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Evenmin kan artikel 226g Sv afdoen aan de algemene bevoegdheid van de officier van justitie de hoogte van de strafeis te bepalen. In artikel 226g Sv zijn geen voorschriften te vinden die de officier van justitie bij die beslissingen in acht zou moeten nemen. b. [verdachte] -weglatingen Standpunt verdediging Uit de inhoud van het gevoerde verweer maakt de rechtbank op dat de verdediging daar waar het de ‘ [verdachte] -weglatingen’ betreft, aansluit bij het oordeel van het gerechtshof Amsterdam in het Passageproces zoals neergelegd in arresten van 29 juni 2017 (waaronder ECLI:NL:GHAMS:2017:2497). Dit oordeel houdt het volgende in. De geheime afspraak met [naam 2] , die tot 3 oktober 2011 voor geen van de procesdeelnemers kenbaar was, is een vormverzuim. Met het toevoegen van de [verdachte] -weglatingen aan het dossier, na 10 oktober 2011, en het toevoegen van de beschikbare documenten waaruit de gang van zaken rond de totstandkoming van de weglatingen is gerelateerd en verantwoord, heeft evenwel volledig herstel plaatsgehad van wat [naam 2] over verdachte heeft gezegd in zijn verhoren die hebben geleid tot zijn kluisverklaringen. Geen volledig herstel heeft plaatsgehad, daar waar het betreft de verhoren die [naam 2] vanaf 15 maart 2007 heeft afgelegd. [naam 2] heeft in verhoren door politieambtenaren, bij en door de rechter-commissaris en bij en door de rechtbank, verklaard in lijn met de geheime weglatingsafspraak. Het gerechtshof merkt dit aan als een schending van artikel 6 EVRM, omdat een inbreuk is gemaakt op de kwaliteit en de volledigheid van de waarheidsvinding en wat betreft de politieverhoren als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De verdediging heeft zich, zo begrijpt de rechtbank, op het standpunt gesteld dat in de onderhavige strafzaak Vandros, met betrekking tot de verklaringen van [naam 2] tegenover verdachte sprake is van hetzelfde onherstelbare vormverzuim, dat, anders dan is geoordeeld door het gerechtshof Amsterdam in de strafzaken tegen [naam 3] en [naam 1] , zodanig ernstiger is dan in Passage het geval was, dat het níet toereikend kan worden gecompenseerd. Daar waar in die laatstgenoemde zaken, met het uitgevoerde aanvullend onderzoek in eerste en tweede aanleg, ruime compensatie is geboden voor het nadeel dat voor de verdachten [naam 3] en [naam 1] was ontstaan, ligt dit in de strafzaak Vandros tegen verdachte anders. Omdat de getuige [naam 2] in Vandros eerst in oktober 2018 door de verdediging ondervraagd is kunnen worden, was het geheugen van deze getuige inmiddels zo uitgeput dat hij zich vrijwel alleen nog kon herinneren wat hij eerder had verklaard; hij had op veel punten geen actieve herinneringen meer aan wat hij heeft meegemaakt. Het ondervragingsrecht is hierdoor zodanig ingeperkt dat geen sprake is van een behoorlijke en effectieve uitoefening van het ondervragingsrecht, zodat van toereikende compensatie niet kan worden gesproken en er sprake is van schending van artikel 6 EVRM. Dit moet volgens de verdediging leiden tot bewijsuitsluiting op de voet van artikel 359a, eerste lid, onder b, Sv. Standpunt officieren van justitie Van een onherstelbaar vormverzuim is in de strafzaak tegen verdachte geen sprake. Toen verdachte in december 2014 werd aangemerkt als verdachte van de strafbare feiten waarover [naam 2] heeft verklaard, was geen sprake meer van een niet-kenbare weglatingsafspraak. In de strafzaak tegen verdachte zijn geen verhoren geweest waarin de getuige [naam 2] , in lijn met die afspraak, vragen onvolledig heeft beantwoord. Dat de getuige door het verloop van de tijd niet (meer) op alle vragen van de verdediging antwoord heeft kunnen geven, is het gevolg van het feit dat verdachte pas vanaf december 2014 wordt vervolgd en staat los van de weglatingsafspraak. Bovendien heeft de verdediging de gelegenheid om [naam 2] veel eerder dan in oktober 2018 te horen zelf laten lopen, door in te stemmen met het verzoek van de officieren van justitie om [naam 2] eerst ter terechtzitting te horen. Daar komt bij dat de getuige [naam 2] veel vragen wél heeft kunnen beantwoorden, ondanks het aanzienlijke tijdsverloop sinds de gebeurtenissen waarover hij heeft verklaard. Oordeel rechtbank Artikel 359a, eerste lid, onder b, Sv luidt: “De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde.” Artikel 359a Sv is niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek. Volgens vaste jurisprudentie is het voorbereidend onderzoek in de zin van deze bepaling het voorbereidend onderzoek tegen verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde. Naar het oordeel van de rechtbank zijn met het toevoegen aan het onderzoek Vandros van de verklaringen die de kroongetuige [naam 2] heeft afgelegd, de totstandkoming van de afspraak met deze kroongetuige en alle daaruit voortkomende verklaringen eveneens gaan behoren tot het voorbereidend onderzoek tegen verdachte. Met de verdediging is de rechtbank, op de voet van de arresten van 29 juni 2017 van het gerechtshof Amsterdam (waaronder ECLI:NL:GHAMS:2017:2497), van oordeel dat zich tussen 15 maart 2007 en medio oktober 2011 een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan, zoals hiervoor is weergegeven. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat ook in de strafzaak tegen verdachte toereikende compensatie van dit verzuim heeft plaatsgevonden. Aan het (Vandros)dossier zijn niet alleen toegevoegd de verklaringen van [naam 2] die hij voorafgaand aan de weglatingsafspraak heeft afgelegd, maar ook al het nadere onderzoek naar de weglatingsafspraak, waaronder de verhoren van de betrokken functionarissen bij de weglatingsafspraak. Daarnaast zijn aan het dossier toegevoegd alle verhoren van [naam 2] van latere datum, waaronder die over de inhoud van de verklaringen die waren weggelaten. Daar komt bij dat de getuige [naam 2] door verdachte en zijn raadslieden ter terechtzitting bevraagd is kunnen worden, onder meer over deze weglatingsafspraak. Dat die ondervraging eerst in oktober 2018 heeft plaatsgevonden, maakt niet dat een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de getuige te ondervragen aan de verdachte is onthouden. De verdediging had bovendien, nadat de vervolging in 2014 tegen verdachte was aangevangen, kunnen verzoeken de getuige [naam 2] eerder te horen. Tot slot merkt de rechtbank op dat het tijdsverloop van vele jaren tussen de gebeurtenissen waarover de getuige [naam 2] heeft verklaard en het moment waarop de getuige daarover in Vandros voor het eerst -ter terechtzitting- vragen heeft beantwoord, bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaringen kan meewegen. Die beoordeling zal op een andere plaats in dit vonnis plaatsvinden. II.1.1.3. Kroongetuige [naam 5] Proportionaliteit Standpunten partijen De verdediging heeft aangevoerd dat de afspraak die is gemaakt door de Staat der Nederlanden met de getuige [naam 5] niet proportioneel is. De verdediging heeft in dit verband gewezen op de ernst van de strafbare feiten waarvan [naam 5] werd verdacht en waarvoor door de officieren van justitie een levenslange gevangenisstraf was gevorderd en op het gegeven dat [naam 5] de tweede kroongetuige is die “de dans in ieder geval grotendeels zou ontspringen in ruil voor de door hem af te leggen verklaringen”. De verdediging acht ook in dit verband van belang dat aan [naam 5] de maximale strafkorting is toegezegd en geen inzicht is verkregen in de beschermingsmaatregelen die voor [naam 5] zijn getroffen. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de afwegingen waar de verdediging op doelt niet aan de zittingsrechter kunnen worden voorgelegd. Oordeel rechtbank Van belang is artikel 226h, derde lid, Sv, dat luidt: “De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand”. De rechtbank overweegt dat dit artikel inhoudt dat de rechter-commissaris, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de afspraak, acht dient te slaan op de eisen van de proportionaliteit (de dringende noodzaak) en de subsidiariteit (het belang) van die afspraak.De proportionaliteit zoals die door de verdediging is geschetst en die volgens hen geschonden zou zijn, is -artikel 226h, derde lid, Sv goed beschouwd- geen onderwerp van toetsing door de rechter-commissaris. Evenmin is in dat opzicht een rol voor de zittingsrechter weggelegd. II.1.2. Inhoud van de verklaringen van de kroongetuigen Inleiding Wettelijke voorschriften Met betrekking tot het gebruik van de verklaringen van de kroongetuigen voor het bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde uitlokking van moorden zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang. Artikel 360, tweede lid, Sv: “Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, (…) door de officier van justitie een afspraak is gemaakt, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.” Dit wettelijk voorschrift houdt een bijzondere motiveringsverplichting ten aanzien van het gebruik van verklaringen van kroongetuigen in en betekent dat de rechtbank zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] zal moeten onderzoeken voordat zij ertoe kan overgaan deze voor het bewijs te bezigen. De rechtbank zal van dat onderzoek blijk dienen te geven. Artikel 344a, vierde lid, Sv: “Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van verklaringen van getuigen met wie een afspraak op grond van art. 226h, derde lid, (…) is gemaakt.” Anders dan geldt ten aanzien van de in artikel 344a, eerste lid, Sv bedoelde verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt, verzet het vierde lid van datzelfde artikel zich er niet tegen dat de bewezenverklaring in beslissende mate wordt aangenomen op grond van de verklaring van een getuige met wie zo een afspraak is gemaakt. Onderzoek Passage De kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] hebben in het onderzoek Passage (dat van het onderzoek Vandros deel is gaan uitmaken) verklaringen afgelegd, die door het gerechtshof Amsterdam blijkens de Passage-arresten van 29 juni 2017 als bewijs zijn gebruikt voor de gang van zaken met betrekking tot de moord op [slachtoffer 5] en de moord op [slachtoffer 6] . Mede op basis van die verklaringen zijn onder meer [naam 1] en [naam 3] inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . In het arrest inzake [naam 3] heeft het gerechtshof Amsterdam mede op basis van de verklaringen van de kroongetuigen kort gezegd bewezen geacht dat [naam 3] de moord op [slachtoffer 5] heeft uitgelokt, tezamen en in vereniging met verdachte en [naam 4] . Daarbij heeft het gerechtshof opgemerkt dat de vaststelling van een samenwerking tussen [naam 3] en verdachte vanzelfsprekend alleen van betekenis is in de zaak tegen [naam 3] , die aan het gerechtshof ter berechting voor lag. Onderzoek Vandros In het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] in verband met de aan verdachte ten laste gelegde strafbare feiten heeft de rechtbank, voor zover relevant, kennis genomen van het onderzoek Passage, in eerste en tweede aanleg. De rechtbank heeft bestudeerd wat door de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] is verklaard en kennis genomen van de dynamiek rond de thema’s waarover zij beiden hebben verklaard, zoals die onder meer uit de processen-verbaal ter terechtzitting en de genoemde Passage-arresten van het gerechtshof van 29 juni 2017 is gebleken. Daarnaast zijn de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] door de rechtbank ter terechtzitting gehoord. In lijn met de vaststelling van het gerechtshof Amsterdam, dat het oordeel van het gerechtshof alleen relevant is voor de strafzaken in het Passageproces die het betrof, is het aan déze rechtbank om in het onderzoek Vandros een oordeel te vellen over de schuld van verdachte aan de aan hem tenlastegelegde uitlokking van moorden, waaronder de uitlokking van de moord op [slachtoffer 5] . De rechtbank heeft dat ook meer dan eens aan verdachte te kennen gegeven. Dat neemt echter niet weg, dat de rechtbank bij de beoordeling van de strafzaak tegen verdachte acht zal slaan op de overwegingen en oordelen van het gerechtshof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen. Daar waar door de rechtbank de verklaringen van de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] over anderen dan verdachte of over andere gebeurtenissen dan die waarbij verdachte betrokken is geweest, redengevend worden geacht voor het bewijs van wat verdachte is tenlastegelegd, zal het voorkomen dat de rechtbank in het kader van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] en [naam 5] , verwijst naar wat het gerechtshof daarover heeft overwogen en beslist en dat zij dit tot haar eigen oordeel maakt. Met name daar waar de verdediging geen andere verweren heeft gevoerd dan die in Passage al gevoerd zijn, en evenmin anderszins is gebleken van feiten of omstandigheden die een ander licht op de betrouwbaarheid van de verklaringen werpen, zal de rechtbank naar de overwegingen van het gerechtshof verwijzen als zij zich daarin kan vinden. De rechtbank zal in ieder geval zelfstandig de betrouwbaarheid onderzoeken van de verklaringen van de kroongetuigen over verdachte en zijn rol bij de aan hem tenlastegelegde uitlokking van verschillende moorden. Dat onderzoek zal blijken uit wat hieronder wordt overwogen en de (bewijs)overwegingen ten aanzien van de ten laste gelegde uitlokking van de liquidatie van [slachtoffer 1] en de doodslag van [slachtoffer 2] en de liquidaties van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . II.1.2.1. Betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige [naam 2] Standpunten partijen De verdediging heeft naar voren gebracht dat uit het Passageproces informatie naar voren komt die van invloed kan zijn op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van kroongetuige [naam 2] . De verdediging heeft in dat kader gewezen op de bespreking van de verklaringen van [naam 2] , de verklaringen van anderen over [naam 2] of over zaken waarover [naam 2] heeft verklaard, de contacten van [naam 2] met de CI(E) voorafgaand aan de kluisverklaringen, en op de zaken ‘De moord Bethlehem’, ‘De aanslag op [naam 16] ’, en de zaken ‘ [naam 15] ’, ‘ [naam 14] ’ en ‘ [naam 13] ’. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op incidenten van meer algemene aard die zich hebben voorgedaan in het Passageproces met en rond [naam 2] . De verdediging heeft genoemd de opstelling van [naam 2] op de zittingen in Passage en de conflicten van [naam 2] met het openbaar ministerie en het Team Getuigenbescherming, en gesteld dat daaruit bleek dat [naam 2] op niets anders uit was dan “uit het wereldje kunnen stappen met instandhouding van een levensstandaard die hij op eigen kracht en met normale werkzaamheden nimmer zou kunnen bekostigen”. De verdediging heeft voor de nadere invulling van de incidenten verwezen naar de pleidooien in Passage. De verdediging heeft primair geconcludeerd dat uit wat is gebleken in Passage over de verklaringen van [naam 2] en over [naam 2] zelf, in combinatie met de volgens de verdediging onrechtmatige verklaringsafspraak met hem, zijn verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat voor het gebruik van de verklaringen van kroongetuige [naam 2] een ‘verzwaard criterium’, zoals de rechtbank in Passage heeft aangelegd, moet gelden. Dat zou betekenen dat de verklaringen van [naam 2] slechts tot het bewijs van strafbare feiten kunnen dienen wanneer deze met betrekking tot het daderschap van verdachte ondersteuning vinden in substantieel en onafhankelijk van deze verklaringen verkregen ander bewijs. De officieren van justitie hebben gewezen op het feit dat het gerechtshof in Passage op alle betrouwbaarheidsverweren is ingegaan en daar uitvoerig gemotiveerd op heeft beslist. De inhoud van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen in Vandros verschillen niet wezenlijk van de verklaringen die zij in Passage hebben afgelegd en de officieren van justitie verzoeken de rechtbank dan ook het oordeel van het gerechtshof Amsterdam in Passage ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] over te nemen. Oordeel rechtbank Over het primaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank dat hiervoor al is geoordeeld dat de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv met [naam 2] rechtmatig is. Al op deze grond kan het verweer niet slagen, zodat het verweer voor het overige geen bespreking meer behoeft. Over het subsidiaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank als volgt. Met de verwijzing van de verdediging naar de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2013, gewezen in het proces Passage, met het verzoek de beoordeling van de betrouwbaarheid van [naam 2] door de rechtbank in die vonnissen inzake Passage te volgen, lijkt de verdediging niet te hebben onderkend dat die vonnissen zijn vernietigd in de door het gerechtshof Amsterdam in Passage gewezen arresten van 29 juni 2017. Voor de arresten van het gerechtshof geldt bovendien dat die inmiddels onherroepelijk zijn geworden op 23 april 2019. Het gerechtshof heeft - onder meer- in het arrest betreffende [naam 1] in hoofdstuk 3.3. de betrouwbaarheid in het algemeen van de verklaringen van [naam 2] onderzocht, ambtshalve en naar aanleiding van de in dat proces gevoerde verweren, onder meer op de punten die de verdediging van verdachte in Vandros (opnieuw) naar voren heeft gebracht. Het gerechtshof is tot het oordeel gekomen dat er geen reden is om de verklaringen van [naam 2] uit te sluiten van het bewijs. De rechtbank concludeert uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam, dat het gerechtshof evenmin aanleiding heeft gezien de bewijswaarde van de verklaringen van [naam 2] in zijn algemeenheid te beperken. De rechtbank ziet, noch in het betoog van de verdediging, noch om een andere reden, aanleiding om in Vandros anders te oordelen over de betrouwbaarheid in het algemeen van de verklaringen van [naam 2] , dan het gerechtshof in Passage heeft gedaan. De rechtbank maakt dat oordeel tot het hare. Dat geldt ook voor de uitvoering van de moord op [slachtoffer 5] . De ondervraging van [naam 2] in Vandros en het betoog van de verdediging op dit punt, beschouwt de rechtbank als een herhaling van in Passage gedane zetten. Ook daar waar de ondervraging van de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] zich heeft gericht op het dossier Oma (de moordopdracht op [naam 17] (hierna: [naam 17] )), waarvoor het gerechtshof [naam 2] heeft veroordeeld en [naam 5] heeft vrijgesproken, hebben de ondervraging en de confrontatie van de kroongetuigen door de verdediging ter terechtzitting van 12 oktober 2018 in Vandros geen ander licht op deze kwestie geworpen. [naam 2] heeft herhaald dat hij van [naam 5] wel degelijk goed had begrepen dat [naam 17] vermoord moest worden. [naam 5] heeft daar op diezelfde terechtzitting -wederom- tegenover gesteld dat het juist zo was, dat [naam 2] aan hem een vuurwapen kwam vragen en dat er van een moordopdracht door [naam 5] geen sprake is geweest. De rechtbank is, gelijk het gerechtshof Amsterdam in de genoemde arresten van 29 juni 2017, van oordeel dat de vaststelling dat één van beide getuigen in deze kwestie niet naar waarheid heeft verklaard als een geïsoleerde kwestie kan worden benaderd en dat er geen aanleiding is hieraan een gevolg te verbinden voor de waardering in het algemeen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen [naam 2] en [naam 5] . De rechtbank stelt, op grond van wat is gebleken over wat zich heeft voorgedaan rondom de kroongetuige [naam 2] in Passage, concluderend vast dat uit ‘de stroomversnellingen en de kolkende rivier’, zoals het gerechtshof dat heeft genoemd, is komen bovendrijven dat er geen reden is om in het algemeen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van kroongetuige [naam 2] . Dat neemt niet weg dat de rechtbank, gezien haar taak op grond van artikel 360, tweede en vierde lid, Sv de verklaringen van de kroongetuige [naam 2] over verdachte op hun betrouwbaarheid nader zal onderzoeken en zal hebben te beoordelen of die verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs. Ter terechtzittingen van 9, 11 en 12 oktober 2018 is de kroongetuige [naam 2] ondervraagd, onder meer zodat de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige [naam 2] heeft kunnen onderzoeken. [naam 2] heeft op die zittingen -opnieuw in lijn met zijn eerdere verklaringen daarover- inzicht gegeven in zijn beweegredenen voor het achterwege laten van verklaringen over verdachte nadat hij zijn kluisverklaringen had afgelegd. De rechtbank heeft daaruit het volgende begrepen. [naam 2] heeft, toen de naam van verdachte ter sprake kwam tijdens zijn verklaringen, gedacht een grens te moeten stellen, omdat hij in zijn beleving de controle over zijn rol als kroongetuige dreigde kwijt te raken. Omdat, zo heeft [naam 2] uitgelegd, hij geen overzicht had en niet wist waar hij in stapte, is één van de keuzes geweest om een beperking aan te brengen in waarmee hij geconfronteerd zou gaan worden als hij zou gaan praten. [naam 2] schatte in dat het voor hem niet meer te behappen was als hij ook over verdachte zou gaan praten, vanwege de mythische proporties van verdachte. Daarbij was van belang dat [naam 2] verdachte ook een aantal keer had ontmoet. [naam 2] zag verdachte in die tijd als een crimineel die een hoop aandacht had van medecriminelen en als iemand die geld had om zijn doelen te behalen. Iemand die er tot zijn nek toe in zat en die op [naam 2] , en niet alleen op hem, overkwam als een rat. Zo was het beeld van verdachte bij [naam 2] en ook bij [naam 1] . Het beeld was, dat verdachte niet te vertrouwen, sneaky en intimiderend was. [naam 2] heeft verdachte in dit verband ook een ‘serieuze partij’ genoemd. [naam 2] heeft ook uitgelegd dat voor hem zwaar woog dat hij, [naam 2] , niet alleen is, dat hij familie heeft die, net als hijzelf, gevaar zou gaan lopen. [naam 2] had immers zelf meegemaakt dat als verdachte, of [naam 3] , of [naam 4] , wilde dat iemand zou worden geliquideerd, dat dan ook gebeurde. [naam 2] heeft dat gevaar meegewogen in zijn beslissing om niet over verdachte te verklaren. Die afweging lag voor [naam 2] anders daar waar hij over [naam 3] kon verklaren, omdat hij [naam 3] nooit persoonlijk had ontmoet. Van [naam 4] had [naam 2] niet het beeld dat die werkelijk zoveel zeggenschap zou hebben. Ook heeft [naam 2] -nogmaals- uit de doeken gedaan wat heeft gemaakt dat hij alsnog over verdachte is gaan verklaren ter terechtzitting van 3 oktober 2011. [naam 2] werd tijdens die zitting emotioneel geraakt door de slachtofferverklaring van de weduwe van [slachtoffer 5] . [naam 2] heeft toen besloten om direct openheid te geven over de verklaringen over verdachte die hij eerder had afgelegd. Los van de vraag of het is toegestaan dat een kroongetuige een voorbehoud maakt wat betreft de personen over wie hij bereid is te verklaren, is hierboven al aangehaald dat [naam 2] niet de enige in het onderzoek Vandros is die uit angst voor verdachte niet, of slechts onder voorwaarden, verklaringen wil afleggen over wat hij met verdachte heeft meegemaakt. Daarbij in aanmerking genomen de belastende inhoud van de verklaringen van [naam 2] over verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de door [naam 2] gegeven redenen om niet over verdachte te willen verklaren, zonder grond zijn. De rechtbank zal de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] die voor verdachte belastend zijn voor het overige onderzoeken bij de beoordeling van de opsporingsonderzoeken waarvoor die verklaringen relevant zijn, te weten de onderzoeken Viool (de uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] en de doodslag van [slachtoffer 2] ), Agenda (de uitlokking van de moord op [slachtoffer 5] ) en Perugia (de uitlokking van de moord op [slachtoffer 6] ). II.1.2.2. Betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige [naam 5] Standpunten partijen De verdediging heeft over de betrouwbaarheid in het algemeen van de verklaringen van de kroongetuige [naam 5] het volgende aangevoerd. Primair moeten de verklaringen buiten beschouwing worden gelaten voor het bewijs, omdat de onrechtmatige verklaringsafspraak zijn weerslag heeft gehad op de inhoud van de verklaringen van deze getuige. Subsidiair moet, net als voor de verklaringen van [naam 2] , voor de verklaringen van [naam 5] gelden dat zij alleen tot het bewijs voor het daderschap van verdachte mogen worden gebruikt, als deze terug te voeren zijn op eigen waarneming van [naam 5] én deze steun vinden in ander, los van zijn verklaringen bestaand bewijsmateriaal. De officieren van justitie hebben, kort gezegd, de rechtbank verzocht ook ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 5] het oordeel van gerechtshof Amsterdam in Passage over te nemen. Oordeel rechtbank Over het primaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank dat hiervoor al is geoordeeld dat de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv met [naam 5] rechtmatig is. Al op deze grond kan het verweer niet slagen, zodat het verweer voor het overige geen bespreking meer behoeft. Over het subsidiaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank als volgt. Het gerechtshof Amsterdam heeft - onder meer- in het Passage-arrest betreffende [naam 1] in hoofdstuk 3.4 de betrouwbaarheid in het algemeen van de verklaringen van [naam 5] onderzocht, ambtshalve en naar aanleiding van de in dat proces gevoerde verweren, onder meer op de punten die de verdediging van verdachte in Vandros (opnieuw) naar voren heeft gebracht. Het gerechtshof is tot het oordeel gekomen dat er geen reden is om de verklaringen van [naam 5] uit te sluiten van het bewijs, zoals daar was bepleit. De rechtbank concludeert uit het arrest van het gerechtshof, dat het gerechtshof evenmin aanleiding heeft gezien de bewijswaarde van de verklaringen van [naam 5] in zijn algemeenheid te beperken. De rechtbank ziet noch in het betoog van de verdediging, noch om een andere reden, aanleiding om in Vandros anders te oordelen over de betrouwbaarheid in het algemeen van de verklaringen van [naam 5] , dan het gerechtshof in Passage heeft gedaan. De rechtbank maakt dat oordeel tot het hare. Daarbij heeft de rechtbank betrokken wat is gebleken naar aanleiding van de ondervraging van de kroongetuige [naam 5] ter terechtzittingen inzake Vandros op 12, 15 en 16 oktober 2018. De verklaringen die [naam 5] daar heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 6] , in al zijn aspecten, en zijn overige contacten met [naam 1] en [naam 3] , onder meer in verband met de moord op [slachtoffer 1] , leiden niet tot een ander inzicht over de betrouwbaarheid in het algemeen van de verklaringen van [naam 5] . Ook heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken wat in het onderzoek Vandros is gebleken over de bestuurder van de motor ten tijde van de moord op [slachtoffer 1] en de doodslag van [slachtoffer 2] . Tegenover het herhaalde betoog van de verdediging staat niet alleen het oordeel van het gerechtshof in de Passage-arresten op dit punt, maar ook de inhoud van een opname van een gesprek tussen [zus 1] en verdachte. Wat de rechtbank betreft blijkt uit die opname dat verdachte weet dat niet [naam 5] de motor bestuurde bij de moord op [slachtoffer 1] , maar dat dat een ander was, van wie verdachte de naam niet heeft willen noemen toen hij daarmee ter terechtzitting werd geconfronteerd. Tot slot stelt de rechtbank vast dat wat [naam 5] over verdachte heeft verklaard, is gebaseerd op wat [naam 5] heeft waargenomen in gesprekken met anderen. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank, los van de kanttekeningen die de verdediging in het pleidooi heeft gemaakt bij de betrouwbaarheid in het algemeen van de verklaringen van [naam 5] , de verklaringen van [naam 5] over verdachte gebruiken als ondersteuning van ander bewijs dat naar verdachte wijst als uitlokker van de moord op [slachtoffer 1] en de doodslag van [slachtoffer 2] en de moorden op [slachtoffer 5] en op [slachtoffer 6] . II.2. [zus 2] , [zus 1] en [ex-partner] Het strafrechtelijk onderzoek Vandros tegen verdachte heeft met het ter beschikking komen van de kluisverklaringen van de getuigen [ex-partner] , [zus 2] en [zus 1] op 24 maart 2015 een onverwachte wending genomen. Verdachte en zijn raadslieden hebben betoogd dat de verklaringen, voor zover belastend, gelogen zijn. De rechtbank zal hierna ingaan op de daartoe gevoerde verweren. Daaraan zal de rechtbank ambtshalve een aantal overwegingen over deze getuigen toevoegen. II.2.1. De verklaringen van [zus 2] en [zus 1] in het algemeen Standpunt verdediging De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] over wat zij hebben meegemaakt met verdachte in relatie tot de aan hem tenlastegelegde moorden op onderdelen niet waar zijn, omdat deze verklaringen zijn ingegeven door: a. hun eigen, verkeerde interpretatie van omstandigheden en gebeurtenissen en b. andere belangen en omstandigheden. Deze standpunten zijn op verschillende manieren onderbouwd. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verklaringen van [zus 1] en [zus 2] door de rechtbank op zijn minst aan ‘een verzwaard criterium’ zouden moeten worden onderworpen bij de vraag of deze kunnen bijdragen aan het bewijs en slechts terughoudend voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Verdachte heeft betoogd dat de verklaringen van zijn zussen niet waar zijn en bewust gelogen. Met name [zus 1] heeft welbewust leugens verteld en, omdat zij advocaat was, wist zij precies wat zij moest zeggen om haar doel, te weten geld, te bereiken. [zus 1] heeft de verklaringen, die met andere getuigen op elkaar zijn afgestemd, in elkaar gezet; [zus 2] kan dat helemaal niet. In zijn laatste woord heeft verdachte daar nog aan toegevoegd dat [zus 1] psychisch gestoord is. Standpunt officieren van justitie De getuigen is, voordat ze gingen verklaren, op het hart gedrukt hun verklaringen niet op elkaar af te stemmen. Vanaf 21 april 2013 hebben zij los van elkaar kluisverklaringen afgelegd over wat ze zelf met verdachte hebben meegemaakt. Verdachte doet voorkomen alsof het een peulenschil is om verklaringen op elkaar af te stemmen, maar in dit geval, waarin getuigen verklaren over zo’n lange periode met zoveel gebeurtenissen en persoonlijke invalshoeken, en waarin het gaat om een eindeloze reeks aan verhoren, waarbij over allerlei details vragen worden gesteld, is dat schier onmogelijk. De verklaringen van [zus 2] , [zus 1] en [ex-partner] laten aan duidelijkheid niets te wensen over: de verklaringen zijn niet afgestemd, hun verhaal is hun eigen verhaal. Over de motieven van getuigen om te gaan verklaren, hebben zij uitvoerig verklaard en ook daarin zien de officieren van justitie geen enkele aanknoping om te veronderstellen dat zij niet naar waarheid hebben verklaard. Oordeel rechtbank Bovenvermeld algemeen verweer van verdachte en zijn raadslieden zijn in de pleitnota van de raadslieden verder uitwerkt en valt daar uiteen in verschillende verweren. De rechtbank zal deze verweren hierna per onderwerp bespreken. Daarbij zal zij ook het standpunt van de officieren van justitie nader beschouwen. II.2.2. Invloed Goudsnip op verklaringen van [zus 2] en [zus 1] Standpunt verdediging In het strafrechtelijk onderzoek Goudsnip zijn [zus 2] en [zus 1] , samen met een aantal andere personen, als verdachte aangemerkt. Door de verdediging is het belang van [zus 2] en [zus 1] om als verdachten in dat onderzoek niet naar waarheid te verklaren naar voren gehaald als één van hun belangen om valse verklaringen over verdachte af te leggen. Daarnaast blijkt volgens de verdediging uit de verklaringen in Goudsnip dat [zus 2] en [zus 1] zeer goed in staat zijn leugens te vertellen. In het strafrechtelijk onderzoek Goudsnip werden [zus 2] en [zus 1] verdacht van strafbare feiten in verband met de afwikkeling van de nalatenschap van [slachtoffer 1] . De verklaringen van [zus 2] en [zus 1] dat [slachtoffer 1] tot aan zijn dood een goede relatie met [naam 18] (hierna: [naam 18] ) heeft onderhouden, staan lijnrecht tegenover de verklaringen van meerdere getuigen, waaronder [naam 19] (hierna: [naam 19] ), de weduwe van [naam 18] , die inhouden dat de verhouding tussen [slachtoffer 1] en [naam 18] ernstig was verstoord sinds de verdeling van hun gemeenschappelijk bezit in 1996. Ook is uit de verklaring van [naam 19] gebleken dat verdachte en [naam 18] na de verdeling nog wel eens wat dronken samen op een terras in Spanje, terwijl [zus 2] en [zus 1] hebben verteld dat [naam 18] bang was voor verdachte. Gebleken is dat door [zus 2] en [zus 1] , en de andere betrokkenen in Goudsnip, ter verdediging was afgesproken om te verklaren dat [slachtoffer 1] de Achterdam nog bij leven aan [naam 18] had verkocht. Om geloofwaardig te zijn, moest de verhouding tussen [slachtoffer 1] en [naam 18] als goed worden gekenschetst. Ook nadat [zus 2] in Vandros heeft verklaard dat zij de Achterdam na de dood van [slachtoffer 1] aan [naam 18] heeft verkocht, hebben zij en [zus 1] volgehouden dat de verhouding tussen [slachtoffer 1] en [naam 18] tot aan de dood van [slachtoffer 1] goed is geweest. Dit hebben zij gedaan om ook vol te kunnen houden dat [naam 18] bang was voor verdachte. Dat laatste kwam hen goed van pas, in het kader van het negatieve beeld dat zij van verdachte hebben neergezet. Daarnaast zijn de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] , afgelegd in Vandros, net zo vals. Immers houden die in dat zij in het onderzoek Goudsnip een valse verklaring over de verkoop van de Achterdam hebben gegeven, onder meer omdat verdachte hen had opgedragen ervoor te zorgen dat zijn gokhallen buiten beeld van justitie zouden blijven. [zus 2] heeft zelfs volgehouden dat zij ook om die reden in haar kluisverklaringen niet kon zeggen hoe het met de Achterdam zat, terwijl zij verdachte toen beschuldigde van liquidaties. Het maakt duidelijk dat het overtreden van strafrechtelijke en fiscale normen door [zus 2] en [zus 1] bij het wegsluizen van de miljoenenerfenis van [slachtoffer 1] niets te maken heeft met de belangen van verdachte die hij zou hebben bij gokhallen. Ook is niet gebleken dat verdachte was betrokken bij het onderzoek Goudsnip, zodat het ervoor gehouden moet worden dat in het toedekken van hun eigen strafwaardige handelen de kiem ligt van de beschuldigingen dat verdachte een tiran en een monster is. Daar komt nog bij dat, nadat [zus 2] en [zus 1] in Vandros in de gelegenheid zijn gesteld openheid van zaken te geven over de afhandeling van de erfenis van [slachtoffer 1] en de verkoop van de Achterdam, zij hierover nog steeds niet naar waarheid hebben verklaard. De verdediging komt, het dossier Goudsnip analyserend, tot de conclusie dat niet [naam 18] maar [naam 20] (hierna: [naam 20] ) de Achterdam van [zus 2] heeft gekocht, en dat [naam 18] ‘ [villa] ’ pas in 2005 heeft gekocht van [zus 2] . Nu de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] hierover niet kunnen worden geloofd, moet ook extra behoedzaam met al hun verklaringen over verdachte worden omgegaan. Ten slotte blijkt uit de gang van zaken rond de Achterdam ook niet dat verdachte die heeft willen afpakken na de dood van [slachtoffer 1] , zodat de verklaring van [zus 2] en [zus 1] dat verdachte [slachtoffer 1] daarom heeft laten vermoorden, ook ongegrond is. Standpunt officieren van justitie De verklaring van [zus 2] is geloofwaardig. Zij heeft verklaard dat een reden om in Goudsnip een valse verklaring af te leggen, het belang van verdachte was; het belang namelijk om het bezit van zijn gokhallen buiten de aandacht van justitie te houden. Gebleken is dat verdachte wel degelijk feitelijk de eigenaar van die gokhallen was. [zus 2] kende, toen zij haar verklaringen in Goudsnip hierover aflegde, de (bekennende) verklaring van verdachte over het losgeld nog niet. De verdediging heeft bovendien niet duidelijk gemaakt welke belangen er gediend zijn met de verklaringen die [zus 2] en [zus 1] in Vandros hebben afgelegd over de verkoop van de Achterdam en ‘ [villa] ’, in relatie tot hun verklaringen over verdachte. Daarnaast beschouwen de officieren van justitie het onderzoek Goudsnip als een geïsoleerde kwestie. Wat de beweegredenen van [zus 2] en [zus 1] ook zijn geweest voor hun verklaringen als verdachte in Goudsnip, die zeggen niets over hun verklaringen als getuige in Vandros. Er is geen aanleiding om van de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] over verdachte met terughoudendheid gebruik te maken. Oordeel rechtbank a. Algemeen: Is Goudsnip een belang om in Vandros te liegen over verdachte? Begin 2006 is naar aanleiding van CI(E)-informatie het strafrechtelijke onderzoek Goudsnip gestart. De verdenking was dat ( onder anderen) [zus 2] zich schuldig had gemaakt aan het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van belastingaangifte, valsheid in geschrifte en witwassen. Daarnaast werd [zus 1] verdacht van opzettelijk onjuist of onvolledig doen van belastingaangifte en witwassen. Deze strafzaak is voor [zus 2] geëindigd in 2011 met een transactieovereenkomst, nadat zij schriftelijk (naar nu blijkt in strijd met de waarheid) had verklaard dat [slachtoffer 1] de Achterdam al bij leven had verkocht aan [naam 18] . De strafzaak tegen [zus 1] is geëindigd met een sepot, voor zover de rechtbank weet, in dezelfde periode. [zus 1] heeft op 23 maart 2018 ter terechtzitting verklaard dat zij in de loop van 2011 contact had opgenomen met de CI(E)-officier van justitie mr. Hambeukers. Dit is bevestigd door het proces-verbaal van 23 november 2018 van deze officier van justitie. Daaruit blijkt dat hij, in zijn hoedanigheid van CI(E)-officier van justitie bij het Landelijk Parket, op initiatief van [zus 1] vanaf maart 2011 tot en met 2012 vier of vijf vertrouwelijke gesprekken met haar heeft gehad. Uit het proces-verbaal van mr. Hambeukers is over de inhoud van die gesprekken het volgende gebleken. [zus 1] heeft hem verteld over haar bijzondere relatie met verdachte en de gevolgen van zijn handelen voor haar familie en voor haarzelf. [zus 1] gaf aan dat zij vaak dingen moest doen voor haar broer, zoals het verzamelen van informatie, en dat hij daarbij druk op haar uitoefende zodat zij niet kon weigeren. [zus 1] onderhield contact met haar broer, zodat zij zicht hield op zijn handelen en zij mogelijk gevaar kon inschatten. [zus 1] voelde zich niet vrij om het contact met haar broer te verbreken. Zij typeerde de situatie als onhoudbaar; detentie van haar broer zou haar en haar familie rust geven. Uit zijn aantekeningen heeft deze officier van justitie nog opgehaald dat [zus 1] hem in maart 2011 heeft verteld dat er, van de kant van [naam 3] , bij verdachte op werd aangedrongen dat verdachte voor [naam 3] een ontlastende verklaring zou afleggen. Verdachte zou zich op zijn zwijgrecht hebben beroepen. In maart 2012 heeft [zus 1] verdachte verteld dat er een dreiging zou bestaan op zijn leven; er zou op 19 maart 2012 zelfs een poging zijn ondernomen om hem te liquideren. De officier van justitie was ervan op de hoogte dat van die dreiging en de poging liquidatie een ‘Meld Misdaad Anoniem melding’ is gedaan. Het contact tussen deze officier van justitie en [zus 1] is niet expliciet geëindigd; er hebben gewoonweg geen ontmoetingen meer plaatsgevonden vanaf eind 2012. Uit het proces-verbaal van 19 augustus 2015 van CI(E)-officier van justitie mr. Wind blijkt dat zij voor het eerst contact met [zus 1] heeft gehad in februari 2013. Daar ging aan vooraf dat misdaadjournalist [journalist 2] in een gesprek begin februari 2013, met mr. Wind en officier van justitie mr. Hoekstra, te kennen had gegeven dat [zus 1] mogelijk bereid was informatie te verstrekken over de betrokkenheid van verdachte bij gepleegde liquidaties, en dat [zus 1] daarnaast vreesde voor nieuwe slachtoffers. Op 8 april 2013 heeft [zus 1] aan mr. Wind laten weten dat haar zus [zus 2] ook bereid was met mr. Wind te spreken over de mogelijkheden van een getuigentraject. Op 11 april 2013 heeft ook [zus 2] mr. Wind meegedeeld geen keuze meer te hebben en (kluis)verklaringen te willen gaan afleggen. Op 21 en 22 april 2013 hebben [zus 2] en [zus 1] zes kluisverklaringen afgelegd. In de rest van de maand april en in de maanden mei en juni 2013 hebben de zussen nog meer kluisverklaringen afgelegd. In deze kluisverklaringen hebben zij verklaard wat zij weten over de betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] . Daarnaast hebben zij verklaringen afgelegd over de manier waarop verdachte met hen omging, over de druk die van hem uitging, en de angst die hij hen kon aanjagen. Op 16 december 2015 heeft [zus 1] , op vragen van de raadsman, bij de rechter-commissaris verklaard dat zij en haar zus hadden gewacht met naar justitie gaan om over verdachte te verklaren, totdat [zus 2] in Goudsnip een transactie had en [zus 1] zelf een sepot. Dat was om te voorkomen dat gedacht zou kunnen worden dat zij in ruil voor hun verklaringen door justitie zouden zijn begunstigd. [zus 1] wist dat andere betrokkenen, die nog niet van het onderzoek Goudsnip af waren, mogelijk weer voorwerp van onderzoek in Goudsnip zouden worden. Zij heeft naar eigen zeggen naar mogelijkheden gezocht om nog meer ellende voor die betrokkenen te voorkomen. Toen die mogelijkheden er voor mr. Wind niet bleken te zijn, hebben [zus 2] en [zus 1] iedere voorwaarde voor het gebruik van hun verklaringen laten vallen. Op grond van de hiervoor weergegeven gang van zaken stelt de rechtbank vast dat [zus 2] en [zus 1] waren bevrijd van de vervolging in Goudsnip, ruim voordat zij contact met justitie hadden gelegd met de bedoeling verklaringen af te gaan leggen over liquidaties waarbij verdachte betrokken zou zijn geweest en over de druk van verdachte en de angst waarmee zij te maken hadden. De rechtbank kan de gedachtegang van de verdediging dat [zus 2] en [zus 1] in Vandros beschuldigende verklaringen afleggen over verdachte om hun eigen aandeel in het wegsluizen van het geld van de Achterdam af te dekken, om die reden niet volgen. Met de transactieovereenkomst in de zaak van [zus 2] en het sepot van de zaak tegen [zus 1] was de zaak Goudsnip immers afgedaan. Het was vanwege Goudsnip juist níet in hun belang om weer in contact te treden met justitie, omdat daarmee de kans bestond dat zij, naar aanleiding van hun beschuldigingen aan het adres van verdachte, weer vragen over Goudsnip zouden moeten gaan beantwoorden en alsnog openheid van zaken zouden moeten geven over het moment van verkoop van de Achterdam. Uit het proces-verbaal van mr. Wind blijkt dat [zus 1] dit in één van de gesprekken aan de orde heeft gesteld, in die zin, dat zij niet wilde dat anderen die ook waren betrokken bij het onderzoek Goudsnip last met justitie zouden krijgen vanwege de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] . Zo beschouwd is er geen enkele aanwijzing dat [zus 2] en [zus 1] hun kluisverklaringen, waarin zij in de kern hebben verklaard waarover zij later bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting zijn bevraagd, hebben afgelegd om hun eigen handelen in Goudsnip af te dekken. Met de transactie-overeenkomst en het sepot was het onderzoek Goudsnip voor hen afgesloten en hadden zij er juist alle belang bij dat dat zo zou blijven. Op de vraag wat de reden is geweest om verklaringen af te leggen over verdachte bij justitie, hebben [zus 1] en [zus 2] op verschillende momenten verklaringen afgelegd, die neerkomen op het volgende. [zus 1] heeft op twee eerdere momenten overwogen om bij justitie verklaringen over verdachte te gaan afleggen. De eerste keer was in 2004/2005, toen verdachte tegen haar zei dat hij bij [slachtoffer 5] een raket naar binnen zou schieten. Omdat zij verklaren te gevaarlijk vond, heeft zij daarvan afgezien. Het tweede moment was na het overlijden van [naam 21] (hierna: [naam 21] ) in 2011, omdat er toen minder gevaar leek te duchten. [zus 1] heeft het toen niet doorgezet omdat [zus 2] het nog te gevaarlijk vond. Zowel [zus 1] als [zus 2] hoopten dat verdachte was veranderd na zijn zes jaar detentie in Kolbak, maar [zus 1] had gemerkt dat verdachte na zijn vrijlating geld wilde verdienen om weer op zijn oude machtsniveau terug te komen. Verdachte had zich aangesloten bij motorclub ‘No Surrender’ en onderhield, uit louter strategische motieven, contact met [naam 22] (hierna: [naam 22] ) en [naam 23] (hierna: [naam 23] ). Ook dreigde hij [zus 2] en haar kinderen en [journalist 2] en diens zoon te laten vermoorden, vanwege geld. Verdachte sprak ook over anderen die dood moesten. [zus 1] en [zus 2] herkenden, ieder voor zich, het gedrag en de uitlatingen van verdachte, zoals zij die in de periode voorafgaand aan de moord op [slachtoffer 3] en de moord op [slachtoffer 6] ook met verdachte hadden meegemaakt. [zus 2] heeft verklaard dat voor haar de beslissende factor om te gaan verklaren, is geweest dat verdachte moet boeten voor de moord op [slachtoffer 1] , de vader van haar kinderen. Maar voor zowel [zus 1] als [zus 2] was de belangrijkste reden om te gaan verklaren dat zij wilden voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. Daar komt nog bij dat [zus 1] meermalen heeft voorspeld dat zij, omdat ze is gaan verklaren, een “strontkar over zich zal krijgen uitgestort”, maar dat dat haar niet meer kan raken. Blijkbaar wogen voor de getuigen de door hen genoemde belangen om over verdachte te verklaren, zoals zij hebben gedaan in de kluisverklaringen, zwaarder dan het belang om het onderzoek Goudsnip voor altijd te laten rusten. b. De verklaringen over de Achterdam en [villa] Vastgesteld kan worden dat [zus 2] op 21 april 2013 in haar kluisverklaring heeft verklaard dat zij, toen verdachte haar kort na het overlijden van [slachtoffer 1] daarnaar vroeg, tegen hem heeft gezegd dat zij niet wist waar de aandelen van de Achterdam waren en dat het huis ‘ [villa] ’ in Spanje al was verkocht. Zij had haar broer verteld dat de opbrengst voor tien jaar was vastgezet. Bij de rechter-commissaris heeft [zus 2] op 20 juli 2016 gezegd dat zij altijd naar waarheid verklaringen heeft afgelegd, behalve voor zover zij eerder verdachte uit de wind had moeten houden. Op verdere vragen daarover heeft zij zich beroepen op haar verschoningsrecht, eerst ten opzichte van haar broer, vervolgens voor haarzelf. Zij heeft toegelicht dat zij zelf verdachte in een strafzaak was geweest, en als zij daarin de naam van verdachte had genoemd, zij een groot probleem had gehad. Zij kon er op dat moment niet over verklaren, omdat het misschien nóg haar zaak betrof. De rechter-commissaris heeft aan [zus 2] het recht toegekend om zich te verschonen voor wat betreft vragen van de verdediging over het huis ‘ [villa] ’, het onderzoek Goudsnip en over de videotheek waar zij heeft gewerkt. Op 27 februari 2017 heeft [zus 2] vragen van de verdediging beantwoord over het verkrijgen en vervolgens verkopen in 2003 van ‘ [villa] ’ aan [naam 20] . Zij heeft toen ook verteld dat [naam 18] later het huis heeft gekocht van [naam 20] . [naam 18] heeft [zus 2] het resterende bedrag betaald dat [naam 20] haar nog schuldig was. Verder heeft [zus 2] verteld dat [slachtoffer 1] tot aan zijn overlijden in het bezit was van prostitutiepanden aan de Achterdam te Alkmaar en daaruit inkomsten had. Zij heeft verteld dat [slachtoffer 1] in het bezit hiervan was gekomen nadat in 1996 de gezamenlijke bezittingen van [naam 18] , verdachte en [slachtoffer 1] waren verdeeld. Verdachte heeft de gokhallen (op de Wallen in Amsterdam) en het bordeel in de Roompotstraat in Amsterdam overgenomen. [zus 2] heeft verder verklaard dat verdachte haar, een aantal uren na het overlijden van [slachtoffer 1] , onder vier ogen heeft gevraagd waar de aandelen van de Achterdam waren. Die had zij bewaard in de berging van haar moeder, nadat [slachtoffer 1] die in 2002 aan haar had gegeven. Tegen verdachte heeft zij gezegd dat [slachtoffer 1] de Achterdam al had verkocht en dat [slachtoffer 1] het geld voor tien jaar had vastgezet. In werkelijkheid heeft zij de Achterdam na de dood van [slachtoffer 1] verkocht aan [naam 18] , voor € 700.000,- en 40 kg goud ter waarde van € 400.000,-. [zus 2] kon het geld niet opgeven aan de Belastingdienst omdat zij dan had moeten vertellen hoe zij aan het geld kwam. Dan zou zij, vreesde ze, er niet aan zijn ontkomen om te vertellen over het Heinekenlosgeld, de investeringen, de verdeling en dat haar broer de gokhallen had. Omdat zij daarover van verdachte niet mocht praten, heeft zij pas in 2017 kunnen vertellen dat [naam 18] de Achterdam van haar had gekocht. Verder heeft zij de 40 kg goud, samen met 20 kg die zij nog had, aan [naam 24] verkocht, waarvoor [zus 2] € 575.000,- overgemaakt heeft gekregen op haar bankrekening in Zwitserland. [naam 20] heeft op 17 april 2018 bij de rechter-commissaris de door [zus 2] geschetste gang van zaken over de aankoop en betalingen van ‘ [villa] ’ bevestigd. Dat zich ( onder meer) in het dossier Goudsnip aanwijzingen bevinden dat de gang van zaken rond de verkoop van ‘ [villa] ’ en de Achterdam anders is gegaan dan [zus 2] en [naam 20] hebben verteld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat terughoudendheid moet worden betracht wat betreft het gebruik van de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] over verdachte. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, kan geen verband worden vastgesteld tussen de opstelling van de getuigen in het onderzoek Goudsnip en de kluisverklaringen die zij in Vandros hebben afgelegd over verdachte. Een nadere beschouwing van de onderzoeksgegevens met betrekking tot de verkoop van ‘ [villa] ’ en de Achterdam, maakt dat niet anders. In de verklaring van [zus 1] tegenover officier van justitie mr. Wind, zoals die blijkt uit het proces-verbaal van 19 augustus 2015, zijn aanknopingspunten te vinden voor de reden dat verklaringen over Goudsnip gevoelig liggen. [zus 1] heeft verklaard dat zij niet wil dat degenen die met name [zus 2] met de criminele erfenis hebben geholpen, mogelijk alsnog last van justitie krijgen. Er zijn in het onderzoek Vandros geen aanknopingspunten voor deze gevoeligheid te vinden in een andere reden, met name niet in de suggestie van verdachte dat [zus 2] en [zus 1] hem willen belasten om een beter beeld van zichzelf te kunnen neerzetten en zelf financieel voordeel te behalen. c. Goudsnip: belang verdachte bij losgeld en gokhallen? Voor de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] , inhoudende dat zij in het onderzoek Goudsnip niet over het losgeld van de Heinekenontvoering en de herkomst van de Achterdam konden verklaren omdat hen dat verboden was door verdachte, die feitelijk eigenaar was van de gokhallen op de Wallen die ook met het losgeld waren aangeschaft, kan naar het oordeel van de rechtbank bevestiging worden gevonden in het onderzoek Vandros. Uit meerdere, door [zus 1] opgenomen, gesprekken met verdachte blijkt immers dat verdachte de betreffende gokhallen zag als zijn eigendom en de inkomsten die daarmee werden gegenereerd als hem toebehorend. Uit de omstandigheid dat verdachte tot op heden heeft ontkend dat de gokhallen feitelijk van hem waren, concludeert de rechtbank dat verdachte er blijkbaar veel aan gelegen is om dat verborgen te houden. De verklaring van verdachte dat hij betrokken is geweest bij het bedenken van de verantwoording in Goudsnip ondersteunt de verklaring van [zus 2] . Anders dan verdachte meent, hebben [zus 2] en [zus 1] hun verklaringen over het Heinekenlosgeld en de belangen van verdachte bij de gokhallen afgelegd nog voordat de verklaringen van verdachte, waarin hij onder meer voor het eerst sinds 1983 heeft bekend dat hij over een deel van het Heinekenlosgeld heeft kunnen beschikken, op 11 mei 2017 aan het dossier werden toegevoegd. Zij waren dus ten tijde van het afleggen van hun verklaringen niet op de hoogte van de verklaringen van verdachte over het Heinekenlosgeld en de verdeling. Dat [zus 2] en [zus 1] hun verklaringen over het Heinekenlosgeld en de daarmee samenhangende onderwerpen naar aanleiding van de verklaringen van verdachte in Vandros hebben bijgesteld, mist dan ook feitelijke grondslag. De rechtbank stelt vast dat ook de verklaringen van de getuigen [zus 2] en [zus 1] over de verhouding tussen [naam 18] en [slachtoffer 1] , en [naam 18] en verdachte, zien op het onderzoek Goudsnip, zodat een verband met de inhoud van de kluisverklaringen over verdachte niet aannemelijk is. Daarbij komt nog dat verdachte zelf heeft verklaard dat [naam 18] aanvankelijk niet mocht weten dat verdachte mede-investeerder was in de bedrijven van [naam 18] op de Wallen, omdat [naam 18] niets met verdachte te maken wilde hebben. Ook heeft verdachte verklaard dat [naam 18] van verdachte schrok, toen deze hem opzocht na de detentie in Kolbak. De rechtbank ziet hierin aanwijzingen dat de verhouding tussen verdachte en [naam 18] niet goed genoemd kon worden. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er een verband bestaat tussen de opstelling van [zus 2] en [zus 1] in het onderzoek Goudsnip en daarmee verband houdende onderwerpen enerzijds, en de kluisverklaringen van deze getuigen over wat zij hebben meegemaakt met verdachte, gerelateerd aan liquidaties, anderzijds. II.2.3. Financiële motieven van [zus 1] bij verklaringen over verdachte Standpunt verdediging Verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring uit november 2015 verklaard dat [zus 1] zijn contante geld heeft ingepikt. Dat was ongeveer € 700.000,-, die hij bij haar had liggen. Een ander deel, € 850.000,-, heeft verdachte in 2013 ook bij haar ondergebracht. Toen hij in december 2014 werd gearresteerd, lag er bij [zus 1] nog 1,4 miljoen euro van verdachte. [zus 1] heeft verdachte verteld dat die € 700.000,- in de kluis bij een advocaat, genaamd ‘ [advocaat 3] ’, lag. Die € 850.000,- zou daar ook liggen. Verdachte heeft op 26 november 2015 bij de rechter-commissaris naar voren gebracht dat [zus 1] de beschuldigingen aan zijn adres heeft opgezet vanwege het geld dat dat haar zou opleveren. Zij had immers aandelen in de Amerikaanse film over de [persoon 1] -ontvoering, waarvan in 2013 nog hoge financiële verwachtingen waren, en die tonnen aan euro’s liggen nog in een kluis waar alleen [zus 1] bij kan. Verder heeft [zus 1] bereikt dat niemand [zus 2] durft aan te spreken op de erfenis van [slachtoffer 1] , waaronder de Achterdam. Ter zitting heeft verdachte dit financiële motief van [zus 1] naar voren gebracht. Daaraan heeft verdachte nog toegevoegd dat het [zus 1] ook te doen is geweest om het geld dat zij heeft verdiend met haar boeken en de televisieserie ‘Judas’. Standpunt officieren van justitie Dat [zus 1] dat waarin zij terecht is gekomen sinds zij is gaan getuigen over verdachte zou doen om daar financieel beter van te worden is een absurde gedachte. De stelling van verdachte dat [zus 1] hem uit de weg wil ruimen om het geld van de Achterdam en de film over de Heinekenontvoering in te pikken, snijdt geen hout omdat verdachte geen recht heeft op dat geld. Verder heeft [zus 1] ontkend contant geld voor verdachte te hebben bewaard en bevat het dossier geen aanknopingspunten dat dit anders zou zijn. Dat [zus 1] in 2013 al wist dat zij een boek zou gaan schrijven en dat dat een groot succes zou worden, is tot slot ongeloofwaardig. Oordeel rechtbank Zoals hiervoor al weergegeven, heeft [zus 1] verklaard dat zij bij justitie over verdachte verklaringen is gaan afleggen, omdat zij wilde voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. [zus 1] heeft verder verklaard dat zij tot 2013 een behoorlijk leuk leven had, ondanks wat zij met justitie en met verdachte te stellen had. Zij heeft gezegd dat zij geen enkel eigen belang heeft gehad om verdachte erin te luizen, omdat zij door te gaan verklaren alles heeft verloren; haar gezinsleven staat op een laag pitje en haar werk, inkomen en vrijheid is zij kwijt. Zij heeft daar nog aan toegevoegd dat zij in 2013 toch niet kon weten dat zij in 2017 succes zou hebben met de verkoop van een boek. Bovendien zegt zij niet eens de mogelijkheid te hebben geld uit te geven, omdat zij in een getuigenbeschermingsprogramma zit. Voor de stelling dat [zus 1] uit was op het geld dat verdiend zou kunnen gaan worden met de film over de [persoon 1] -ontvoering, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden. [zus 1] heeft daarnaast ontkend dat er geld van verdachte in een kluis ligt en dat zij daarover nu zou kunnen beschikken. Op de zitting van 12 maart 2018 heeft zij verklaard dat dat geld bij [naam 25] (hierna: [naam 25] ) lag en dat zij dat uit respect voor [naam 25] niet eerder heeft gezegd. Zij heeft daaraan nog toegevoegd dat zij ook de CI(E) daarvan op de hoogte heeft gesteld. Daar komt bij dat, blijkens het ‘proces-verbaal van Ontvangst e-mail [advocaat 3] ’, de advocaat [advocaat 3] op 13 maart 2018 aan de officier van justitie mr. Stempher een e-mailbericht heeft gestuurd met de mededeling dat hij niet in het bezit is van een kluis met geld van verdachte en dat hij dat ook nooit is geweest. Uit de verklaring van [zus 1] ter terechtzitting van 28 juni 2018 in Vandros leidt de rechtbank af dat [zus 1] eerst haar kluisverklaringen heeft afgelegd en pas daarna het idee bij haar is opgekomen om haar boek ‘Judas’ te schrijven. Nu voor de verklaring van verdachte, dat [zus 1] de beschikking heeft (gehad) over contant geld van verdachte, evenmin enige concrete aanwijzing, laat staan bevestiging, bestaat, komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat [zus 1] in 2013 valse kluisverklaringen tegen verdachte is gaan afleggen om daar financieel beter van te worden. II.2.4. De familieverhoudingen Standpunt verdediging Volgens de verdediging staat de lezing die [zus 2] en [zus 1] geven over de verhouding tussen verdachte en zijn familie recht tegenover de beleving daarvan van verdachte. [zus 2] en [zus 1] merken de familieverhoudingen aan als ‘100% slecht’ en zeggen met stelligheid dat verdachte nooit iets aardigs voor hen deed, nooit iets voor hen regelde, aan hen gaf of voor hen betaalde en dat het altijd alleen maar ellende was. Daar waar verdachte door zijn zussen wordt afgeschilderd als een tiran en een psychopaat, die hen het leven onmogelijk heeft gemaakt, stelt verdachte dat zijn familie alles voor hem was en hij altijd voor hen heeft klaargestaan. Voor de beoordeling van de verklaringen van de zussen acht de verdediging met name van belang dat zijn zussen stellen bang voor verdachte te zijn geweest en dwang van hem te hebben ervaren. Niet alleen noemen de zussen dit als een rechtvaardiging voor hun handelwijze in relatie tot de miljoenen van [slachtoffer 1] , maar bijvoorbeeld ook als verklaring, als hen gevraagd wordt naar het aardig doen tegen verdachte, zoals dat in de enorme hoeveelheid tapgesprekken naar voren komt. Uit de getapte gesprekken tussen verdachte en zijn familie blijkt dat [zus 2] en [zus 1] daarover liegen, aldus de verdediging. Dat het aardig doen gespeeld zou zijn geweest, acht zij ongeloofwaardig. De angst waarover [zus 1] en [zus 2] verklaren, zal er voor een deel (inmiddels) ook best wel zijn. Echter, de schets die zij geven van hun relatie met verdachte vanaf de jaren ‘90 is onjuist. De verdediging stelt dat de herinneringen van [zus 2] en [zus 1] aan verdachte destijds, verstoord zijn geraakt. Standpunt officieren van justitie De officieren van justitie gaan uit van de juistheid van de verklaringen van [zus 2] en [zus 1] over de familieverhoudingen en zien daarvoor steun in verklaringen van andere getuigen. Zo heeft hun broer [broer] uit angst voor verdachte niet durven verklaren, maar wel gezegd dat ze eigenlijk hadden gehoopt dat iemand verdachte zou doodschieten omdat ze dan als familie meer vrij en zonder angst konden gaan leven. De voormalige partners van [zus 1] hebben onder meer verklaard dat [zus 1] naar beneden vloog als verdachte zich meldde, dat het constant intimideren was en dat [zus 1] bang was voor verdachte, maar zei dat ze wel moest. Verdachte, aldus voormalig partner van [zus 1] [voormalig partner] (hierna: [voormalig partner] ), dirigeerde alles; hij dirigeerde zijn moeder en zijn zussen en zei precies wat hij van zijn zussen verwachtte dat zij voor hem deden. Oordeel rechtbank Voorop kan worden gesteld dat de stelling van verdachte dat zijn familie alles voor hem was en hij altijd voor hen heeft klaargestaan, niet uitsluit dat zijn zussen [zus 2] en [zus 1] evengoed bang voor hem waren en dwang van hem ervoeren. Verder overweegt de rechtbank over de door verdachte en de getuigen beschreven familieverhoudingen als volgt. De familieverhoudingen, zoals die door verdachte en zijn zussen is geschetst, beslaan een periode van bijna 50 jaar. In die lange periode hebben verdachte en zijn zussen een ontwikkeling doorgemaakt die ook zijn invloed

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.