← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:5134

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 7607319 CV EXPL 19-6211 vonnis van: 16 juli 2019 vonnis van de kantonrechter I n z a k e Stichting Hogeschool van Amsterdam gevestigd te Amsterdam eiseres nader te noemen: HvA gemachtigde: M. Pezeshki t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde nader te noemen: [gedaagde] procederend in persoon VERLOOP VAN DE PROCEDURE - dagvaarding van 1 februari 2019 met producties;- antwoord met producties;- instructievonnis;- dagbepaling comparitie. De comparitie heeft plaatsgevonden op 19 juni

  1. Voor HvA zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door M. Pezeshki. [gedaagde] is, hoewel daartoe deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. HvA is gehoord en heeft vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING vordering en verweer HvA vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:a. € 487,75 aan hoofdsom; b. € 88,52 aan buitengerechtelijke incassokosten; c. € 33,50 aan voor dagvaarding vervallen rente; d. de wettelijke rente over € 487,75 vanaf 1 februari 2019;e. de proceskosten. HvA stelt dat zij van [gedaagde] opeisbaar te vorderen heeft € 487,75, welke vordering betrekking heeft op het verschuldigde collegegeld over het jaar 2015-
  2. Ten gevolge van het niet voldoen aan zijn betalingsverplichting lijdt HvA bovendien schade in de vorm van rente en buitengerechtelijke kosten.
  3. [gedaagde] betwist de vordering. Met [naam 3] , afdelingsmanager van HvA, heeft hij de afspraak gemaakt dat de door [gedaagde] betaalde kosten voor het schooljaar 2013-2014 verrekend zouden worden met de kosten van het schooljaar 2015-
  4. Omdat die studiekosten over die schooljaren vrijwel gelijk zijn, is hij HvA niets meer verschuldigd, aldus [gedaagde] . beoordeling
  5. [gedaagde] heeft blijkens het ter zitting overgelegde overzicht van Duo in 2015 ingeschreven gestaan bij HvA gedurende de periode 1 september 2015 tot en met 30 november
  6. Gedurende de periode 2004 tot en met 2006 heeft hij ook bij opleidingsinstellingen ingeschreven gestaan, en daarna niet meer tot 01 september
  7. Krachtens artikel 4.14 van het Studentenstatuut is [gedaagde] over de drie maanden dat hij ingeschreven was bij HvA een bedrag van (€ 1951:12 x 3) € 485,75 ter zake van collegegeld verschuldigd, welk bedrag [gedaagde] onbetaald heeft gelaten.
  8. Het verweer van [gedaagde] dat hij voor het studiejaar 2013-2014 betaald zou hebben, en dat was afgesproken dat deze betalingen zouden worden “toegerekend” aan het studiejaar 2015-2016 zodat hij hiervoor geen collegegeld verschuldigd was, wordt verworpen. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde] gedurende het studiejaar 2013-2014 bij enige onderwijsinstelling ingeschreven heeft gestaan, laat staan dat hij hiervoor collegegeld betaald heeft.
  9. De rente is niet betwist en toewijsbaar.
  10. Bij brief van 23 november 2017 heeft de incassogemachtigde van HvA [gedaagde] gemaand € 487,75 te voldoen binnen veertien dagen te rekenen vanaf de eerste werkdag volgend op de ontvangst van deze brief, bij gebreke waarvan hij de incassokosten ad € 88,52 verschuldigd zal worden. Nu deze bij dagvaarding overgelegde aanmaning voldoet aan de vereisten als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW wordt het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten toegewezen.
  11. Gelet op de uitkomst van deze procedure wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan HvA van: - € 487,75 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2019 tot aan de voldoening; - € 88,52 aan buitengerechtelijke incassokosten; - € 33,50 aan rente; veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van HvA begroot op:exploot € 102,77salaris € 240,00griffierecht € 486,00 -----------------totaal € 828,77voor zover van toepassing, inclusief btw; veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.