RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/684296-18 (Promis) Datum uitspraak: 26 juni 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [BRP-adres] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.J. Soriano, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging 2.1 Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 juli 2018 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan: wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] en/of mishandeling van voornoemde [slachtoffer] . 2.2 De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie is van mening dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederechtelijke vrijheidsberoving van zijn neef [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Verdachte heeft [slachtoffer] op straat tegen zijn wil in vastgepakt waardoor [slachtoffer] niet vrijelijk kon bewegen en hij hevig geëmotioneerd raakte. Door zo te handelen is er in ieder geval sprake geweest van voorwaardelijk opzet op het resultaat. De relatief korte duur van het incident maakt dit niet anders (ECLI:NL:RBNNE:2018:4250). Daarnaast is de officier van justitie van mening dat kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld gelet op de verklaring van het slachtoffer en de processen-verbaal van bevindingen. Wel verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken van het eerste gedachtestreepje (het slaan) vanwege onvoldoende bewijs. 4.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de wederrechtelijke vrijheidsberoving omdat verdachte daartoe geen opzet had. De handelingen van verdachte waren er enkel op gericht om [slachtoffer] tot kalmte te brengen en een gesprek met hem te voeren. Met name gelet op de precaire familiesituatie kan niet worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had om [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven. Ook was de tijdspanne van het incident te kort om te kunnen spreken van een wederrechtelijke vrijheidsberoving (HR 23 april 1985, NJ 1985, 891). Ten slotte dient verdachte te worden vrijgesproken van de mishandeling omdat uit het dossier niet blijkt dat [slachtoffer] pijn heeft ondervonden. 4.3 Oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak van de wederrechtelijke vrijheidsberoving De rechtbank acht het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij al gedurende langere tijd op zoek was naar zijn neef [slachtoffer] om met hem te praten over zijn (illegale) verblijf in Nederland, de gevolgen daarvan voor verdachte (die garant stond voor [slachtoffer] ) en – de aanpak van – de eventuele terugkeer van [slachtoffer] naar Egypte. Hoewel er zich in het dossier aanwijzingen bevinden dat de verdachte de intentie had om zijn neef mee te nemen naar een andere plek, acht de rechtbank één en ander onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van zijn neef door de verdachte. Het enkele vasthouden van zijn neef in een nekklem gedurende een zeer korte periode in het centrum van Amsterdam, deels in aanwezigheid van de politie, is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de hem ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. 4.3.2 Het oordeel ten aanzien van de mishandeling De rechtbank acht het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe als volgt. Op 15 juli 2018 omstreeks 00:35 uur bevinden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich in de Regulierdwarsstraat in Amsterdam en horen zij gehuil en geschreeuw. Als zij achterom kijken zien zij dat een man –naar later blijkt het slachtoffer [slachtoffer] – wordt vastgehouden door een andere man, verdachte. Verbalisanten zien dat verdachte [slachtoffer] in een nekklem heeft. Verbalisanten zien dat [slachtoffer] aan het huilen en schreeuwen is en zichzelf probeert te ontzetten. Uit de verklaring ter plaatse van [slachtoffer] tegenover de politie blijkt dat hij door het vastpakken van verdachte pijn heeft ondervonden. De rechtbank acht gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door hem in een nekklem te houden. Verdachte zal van de overige ten laste gelegde gedachtestreepjes worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende bewijs. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 15 juli 2018 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] - met kracht middels een zogenaamde nekklem bij de nek heeft vastgepakt en vastgeklemd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. Voor zover de raadsman mede ten aanzien van de mishandeling een beroep doet op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht, geldt dat er geen sprake was van een zodanige druk dat de wilsvrijheid van verdachte zo was aangetast dat zijn handelen verontschuldigbaar zou zijn. Evenmin is gebleken van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat van verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden weerstand te bieden aan die gemoedsbeweging. Het verweer dient derhalve te worden verworpen. 8Motivering van de straf 8.
- Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een taakstraf voor de duur van 60 uren op te leggen. 8.
- Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. 8.
- Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn neef door hem in een nekklem te houden. Door zijn handelen heeft verdachte pijn en angst bij zijn neef teweeggebracht en inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke integriteit. Uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 21 mei 2019 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank heeft verder kennis genomen van het rapport van de Reclassering Nederland van 10 april 2019, opgesteld door mevrouw A. Kuiper. Uit dit rapport blijkt dat verdachte in het algemeen niet impulsief en/of agressief lijkt te handelen. De verdenking lijkt situationeel en persoonsgebonden, waarbij culturele aspecten – bij schuldig bevinden – een rol hebben gespeeld. Volgens de reclassering is de kans op recidive aanwezig wanneer verdachte zijn neef opnieuw zal tegenkomen. De reclassering adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden omdat zij interventies en toezicht niet noodzakelijk acht. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht gaan voor mishandeling (zonder letsel) uit van een geldboete van € 500,-. De rechtbank ziet echter aanleiding om naar boven af te wijken van dit oriëntatiepunt omdat de mishandeling binnen de familiaire sfeer heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een geldboete van € 750,-, waarvan € 250,- voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van twee jaar verbinden, om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank minder bewezen acht. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op: eenvoudige mishandeling. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 750,- (zevenhonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 (vijftien) dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, op de geldboete in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van € 50,- per dag. Beveelt dat een gedeelte, groot € 250,-, van deze geldboete, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Djebali, voorzitter, mrs. I. Mannen en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Jit, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni
- De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. [… 1] [… 1] [… 1]