← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:5989

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/3904 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2019 in de zaak tussen [eisers] te Amsterdam, eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel, verweerder (gemachtigde: mr. J. Sinnige). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Amsterdam, vergunninghouder (gemachtigde: mr. C. Suurd). Procesverloop Op 1 mei 2018 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het verlengen van de [straat 1] tussen de [straat 2] en de [straat 3] in Amsterdam-Duivendrecht (de omgevingsvergunning). Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 25 juni

  1. [eiser 1] was aanwezig. [eiser 2] was afwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [de persoon 1] ([functie 1]). Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [de persoon 2] ([functie 2]), [de persoon 3] ([functie 3]) en [de persoon 4] ([functie 4]). Inleiding
  2. De omgevingsvergunning voor de verlenging van de [straat 1] maakt onderdeel uit van meerdere plannen tot de vorming van een nieuw stedelijk gebied ten noorden van de [locatie 2] - tussen de A2 en de spoorlijn Amsterdam/Utrecht - genaamd [locatie 3]. De [straat 3] wordt de nieuwe hoofdontsluiting van dit plangebied. De verlenging van de [straat 1] vervult hierin een verbindende functie.
  3. Eisers wonen [locatie 1] die zijn gelegen aan het [gedeelte] van de [straat 1] [huisnummers] Zij vrezen dat de combinatie van plannen tot vorming van [locatie 3] leidt tot een onleefbaar, ongezond en onveilig leefklimaat. De verlenging van de [straat 1] zorgt volgens eisers voor een substantiële toename van verkeer en geluid en een verslechtering van de luchtkwaliteit. Eisers zijn daarom in beroep gegaan tegen de omgevingsvergunning. Zijn eisers belanghebbende bij de omgevingsvergunning?
  4. Op grond van artikel 8:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen een belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter. Alleen degene wiens belang direct bij een besluit is betrokken is belanghebbende. Dat staat in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank moet daarom eerst - ambtshalve - de vraag beantwoorden of eisers aan dit criterium voldoen.
  5. Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een omgevingsvergunning, belanghebbende is bij die vergunning. Het moet hierbij echter wel gaan om ‘gevolgen van enige betekenis’. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als weliswaar gevolgen zijn vast te stellen, maar deze voor het woon- en leefklimaat zo gering zijn dat een persoonlijk belang bij de omgevingsvergunning ontbreekt.
  6. In dit geval staat niet ter discussie dat eisers feitelijke gevolgen ondervinden van de omgevingsvergunning. Uit de hierna genoemde onderzoeken blijkt immers dat de verlenging van de [straat 1] op het wegvak voor de [locatie 1] van eisers zorgt voor een toename van het aantal motorvoertuigen per dag. Het gaat in deze zaak om de vraag of deze gevolgen van enige betekenis zijn.
  7. Om de mogelijke gevolgen in kaart te brengen van de verlenging van de weg voor de omgeving, zijn onderzoeken verricht naar de verkeersintensiteit, de luchtkwaliteit en geluid. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in rapporten van Sweco van 24 november 2017 en 6 december
  8. In de Nota van Beantwoording van 1 mei 2018 is vervolgens uitgelegd dat de verlenging van de [straat 1] op wegvak 1 leidt tot 418 extra voertuigen per etmaal in
  9. Deze verkeerstoename resulteert in een extra geluidsbelasting van 0,4 dB. Op de zitting heeft S. Bazuin met behulp van de NIBP-tool berekend dat deze verkeerstoename leidt tot 0,72 microgram/m3 extra stikstofdioxide en 0,09 microgram/m3 extra fijnstof.
  10. De eerste vraag die rechtbank moet beantwoorden is of - als wordt uitgegaan van de juistheid van deze onderzoeken - aannemelijk is dat eisers van de omgevingsvergunning geen gevolgen van enige betekenis ondervinden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Een aantal van 418 extra voertuigen per etmaal op een drukke weg als de [straat 1] zal nauwelijks waarneembaar zijn. Een toename van geluid van 0,4 dB is met het menselijke oor (zonder hulpmiddelen) bovendien niet hoorbaar. Daarnaast heeft de wetgever de grenswaarde voor zowel stikstofdioxide als fijnstof vastgesteld op 40 microgram/m
  11. Hierbij is de gezondheid van betrokkenen leidend. In dit licht acht de rechtbank een toename van 0,72 respectievelijk 0,09 zodanig gering dat aannemelijk is dat eisers hiervan geen gevolgen van enige betekenis ondervinden. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat uit recent onderzoek van 13 juni 2019 van Sweco is gebleken dat de bovengenoemde percentages van toename van stikstofdioxide en fijnstof nog lager liggen. Ook is van belang dat eisers - gelet op de gegeven toelichting van het college op zitting - wonen op ongeveer [meter] afstand van de meetpunten van de genoemde concentraties. Tussen de plaats van de meetpunten en [locatie 1] van eisers op de [straat 1] bevindt zich een afslag naar de A10 waardoor niet al het verkeer dat de meetpunten passeert ook langs de [locatie 1] van eisers rijdt. De daadwerkelijke concentraties op de locatie van de [locatie 1] zullen dus geringer zijn.
  12. De vraag die vervolgens voorligt is of naar aanleiding van de beroepsgronden van eisers aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van deze onderzoeken. De rechtbank vindt van niet. Eisers hebben de uitkomsten van de onderzoeken namelijk niet concreet betwist. Zij hebben slechts volstaan met de algemene kritiek dat het verkeersonderzoek gedateerd is en het rekenmodel vragen oproept. Daarmee is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onderzoek niet deugt of het rekenmodel dusdanige gebreken bevat dat het college niet van de op dit model gebaseerde berekeningen mocht uitgaan. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat het werken met dergelijke modellen een beproefde methode is die door de Afdeling is aanvaard. Conclusie
  13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Bij deze uitkomst ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter, en mr. C.A.E. Wijnker en mr. D. Sullivan, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Schaft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus
  14. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2017:
  15. Wegvak 1 is gelegen ter hoogte van de [locatie 1] van eisers. NIBP staat voor ‘niet in betekenende mate’. Zonder verlenging zal de verkeersintensiteit naar schatting 4226 voertuigen per etmaal bedragen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2012, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2012:BV3202.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.