RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: : 13/751913-19 RK nummer: 19/3682 Datum uitspraak: 15 augustus 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2017 door the Court in Kielce (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 augustus
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.J. Troost, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgment: I. issued by the Court Sąd Rejonowy in Kielce on 21 november 2013 (IX K 614/13); II. issued by the Court Sąd Rejonowy in Kraków-Podgórze in Kraków on 28 january 2014 (XI K 882/13), it was ordered to execute the previously suspended punishment on the basis of the decision of the Court Sąd Rejonowy in Kielce dated on 27 november 2014 (XIII Ko 6730/14); III. issued by the Court Sąd Rejonowy in Kielce on 27 march 2014 (IX K 1181/13), it was ordered to execute the previously suspended punishment on the basis of the decision of the Court Sąd Rejonowy in Kielce dated on 27 november 2014 (XIII Ko 6727/
- In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de vonnissen I en III hebben geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van I.: 1 jaar en 6 maanden, II.: 8 maanden, III: 1 jaar en 3 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog I.: 1 jaar, 2 maanden en 9 dagen, II.: 8 maanden, III.: 1 jaar, 2 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot vonnis II heeft geleid. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon persoonlijk een oproeping heeft ontvangen. Bij brief van 11 juli 2019 van the Court - Sąd Okręgowy - in Kielce is dit nog eens bevestigd. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de brief van 11 juli 2019 is ondertekend door een familielid van een van de benadeelden. De raadsvrouw heeft aangevuld dat deze er belang bij kan hebben te stellen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de terechtzitting. De rechtbank acht de bewering van de opgeëiste persoon niet aannemelijk. De opgeëiste persoon heeft dit ook op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen acht de rechtbank – evenals de officier van justitie – deze stelling onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de informatie van de Poolse autoriteit. De in dit artikel bedoelde weigeringsgrond is niet van toepassing. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: I.: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft; II.: diefstal; III.: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 5Overige verweren De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard bang te zijn om terug te gaan naar Polen. In de gevangenis zou hij gevaar lopen vanwege rivaliserende bendes. De rechtbank overweegt dat deze stelling van de opgeëiste persoon niet is onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk is geworden. Hetgeen door de opgeëiste persoon is aangevoerd levert geen grond op de overlevering niet toe te staan. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 310 en 141 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Court in Kielce (Polen). Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A.W.C.M. van Emmerik en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 augustus
- De jongste rechter is buiten staat te tekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.