RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/260844-18 (Promis) Datum uitspraak: 25 juli 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1970, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, feitelijk verblijvende bij het Leger des Heils, Zandvoortseweg 211, 3741 BE [plaatsnaam] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juli
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Bosman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.M. Seth Paul naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich op 18 december 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal van etenswaren bij winkelbedrijf Albert Heijn; en, belediging van [naam] . De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat verdachte Ten aanzien van feit 1: op 18 december 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen etenswaren ter waarde van 4,75 euro, toebehorend aan winkelbedrijf Albert Heijn, locatie [adres 2] en, Ten aanzien van feit 2: op 18 december 2018 te Amsterdam opzettelijk [naam] in het openbaar mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "fucking neger" en "ik neuk je moeder". Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.1 Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 7.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om - gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte - de eis van de officier te matigen. 7.
- Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en belediging van een beveiligingsmedewerker. Dit zijn vervelende en overlast gevende feiten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 mei 2019 blijkt dat verdachte zich vaker schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. Verder blijkt uit het reclasseringsadvies van 1 februari 2019 dat bij verdachte sprake is van problematisch middelengebruik, psychiatrische problematiek (diagnose schizofrenie) en een verstandelijke- en fysieke beperking. Daarnaast is verdachte ongewenst vreemdeling, waardoor hij geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. Het vooruitzicht op een betere leefsituatie leek op dat moment erg somber. De reclassering heeft gelet op het voorgaande in februari 2019 geadviseerd tot het opleggen van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. De rechtbank heeft ter terechtzitting mevrouw L.M. de Graaf, maatschappelijk werkster bij het Leger des Heils in [plaatsnaam] als deskundige gehoord. Uit haar verklaring is gebleken dat de situatie van verdachte aanzienlijk is verbeterd. Nadat verdachte uit de voorlopige hechtenis is gekomen, heeft hij een verblijfplek gevonden bij het Leger des Heils in [plaatsnaam] waar hij op basis van een CAK-contract voor onbepaalde tijd kan verblijven en waar hij stabiel functioneert. Verdachte kan daar zowel ’s nachts als gedurende de dag verblijven en hij kan deelnemen aan activiteiten. Hierdoor heeft verdachte kennelijk enige houvast gevonden en sindsdien is niet gebleken van nieuwe contacten met justitie. Gelet op bovengenoemd reclasseringsadvies is de rechtbank positief verrast door deze ontwikkelingen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank ziet namelijk geen meerwaarde in een deels voorwaardelijke straf nu verdachte vooral handelt vanuit een impuls en niet goed stil staat bij de mogelijke gevolgen en zal deze daarom ook niet opleggen. Bovendien is, gelet op de ernst van de feiten, een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht afdoende. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 266 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: diefstal; Ten aanzien van feit 2: eenvoudige belediging. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, voorzitter, mrs. W.M.C. van den Berg en Y. Moussaoui, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juli
- [...]