beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 96/174044-18 RK: 19/4421 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van: [klager], geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats], wonende op het adres [adres 1], ter zake woonplaats kiezende op het adres van zijn raadsman mr. J.J. van ’t Hoff, [adres 2], klager. De procesgang Het klaagschrift is op 25 juli 2019 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. De rechtbank heeft op 1 augustus 2019 de (waarnemend) gemachtigd raadsman van klager, mr. M. Draaijers, advocaat te Tilburg, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. Klager is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet in openbare raadkamer verschenen. De inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Klager heeft in zijn klaagschrift betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk en – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Klager verricht als ZZP-er allround timmerwerkzaamheden op diverse locaties. Om zijn werk te kunnen doen, dient hij te beschikken over diverse materialen en gereedschappen. Deze dient hij daar te krijgen met zijn bus. Daarnaast dient hij diverse klanten te bezoeken voor het opnemen van offertes. Daarnaast is klager als glazenzetter werkzaam in de buitendienst bij een glashandel. Ook deze werkzaamheden vinden plaats op diverse locaties, waarbij klager diverse gereedschappen mee moet nemen om zijn werk te kunnen doen. Zonder rijbewijs is het niet mogelijk om zijn werk te verrichten. Alternatieve vervoermiddelen bestaan niet, nu klager zijn materiaal mee moet nemen en op diverse locaties per dag moet zijn. Bovendien verricht klager zijn werk op diverse locaties in gebieden waar geen of zeer beperkt openbaar vervoer is. Vrienden hebben hun eigen werkzaamheden, zodat ook zij niet kunnen worden ingeschakeld. Een chauffeur is te kostbaar. Zonder werkzaamheden verliest klager inkomsten en vreest hij verlies van opdrachtgevers. In raadkamer heeft de raadsman van klager voorts nog aangevoerd dat niet alleen klager wordt gedupeerd door de inhouding van zijn rijbewijs, maar dat ook de glashandel waarvoor hij werkzaamheden verricht, niet verder kan met hun werkzaamheden en sluiting van hun zaak vrezen. Tot slot is aangevoerd dat klager, naast onderhavige strafzaak, ook nog via het CBR een kostbare cursus zal moeten doen, waardoor hij ook en nogmaals wordt gewaarschuwd een dergelijke overtreding niet meer te begaan. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs aan klager indien dit op dit moment zou gebeuren en heeft daartoe aangevoerd dat – gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest en dat het persoonlijk belang van klager niet opweegt tegen het algemeen belang, waaronder de verkeersveiligheid, dat met verdere inhouding is gediend. De officier van justitie heeft desgevraagd verklaard een eventuele teruggave van het rijbewijs per 1 oktober 2019 wel redelijk te vinden. De beoordeling Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8 lid 2 WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 19 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.