RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 19/4502 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 september 2019 in de zaak tussen [bedrijf 1] , te Amsterdam, verzoekster, verder [bedrijf 1] (gemachtigde: J. Monster), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. drs. M.M. Jorritsma). Derde partij: de Gemeenschappelijke Exploitatie Maatschappij Lutkemeer Beheer B.V. en C.V, vergunninghouder, verder GEM Lutkemeer, (gemachtigde mr. A.M.M. Ferwerda) Procesverloop Bij besluit van 29 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan GEM Lutkemeer voor het uitvoeren van werkzaamheden in Deelgebied I van het aanstaande [gebied] . De werkzaamheden bestaan uit het graven en dempen in de grond over een oppervlakte van 15.000m2 en een diepte van 1,25 meter van Deelgebied I. [bedrijf 1] heeft in verband hiermee de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die strekt tot staking van de werkzaamheden . Op 27 augustus 2019 heeft de rechtbank [bedrijf 1] om nadere informatie verzocht. Daarop heet [bedrijf 1] schriftelijk gereageerd op 2 september
- Op 4 september 2019 heeft verweerder nog een schriftelijke reactie ingediend waarin onder andere de ontvankelijkheid van [bedrijf 1] is betwist. Op 11 september 2019 heeft GEM Lutkemeer nog een reactie ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september
- [bedrijf 1] en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun voornoemde gemachtigden. Ook is verschenen [de persoon 1] . GEM Lutkemeer heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de kant van GEM Lutkemeer zijn nog verschenen [de personen] . Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Overwegingen
- De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend “namens [bedrijf 1] , waaronder [de persoon 1] en [de persoon 2] .” Het bezwaarschrift is ingediend namens “ [bedrijf 2] ”. In het bezwaarschrift staat niet dat het bezwaar mede namens [bedrijf 1] is ingediend.
- Op grond van het in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde connexiteitsvereiste geldt als voorwaarde voor het kunnen treffen van een voorlopige voorziening dat een bodemprocedure - hetzij in de bezwaarfase, dan wel in de beroepsfase - aanhangig is. Omdat [bedrijf 1] geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen het bestreden besluit (en evenmin namens [de persoon 2] op persoonlijke titel een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend) is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit met een bezwaarprocedure.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier, op 13 september
- griffier is verhinderd deze uitspraak te tekenen voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.