vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/671983 / KG ZA 19-944 MDVH/LO Vonnis in kort geding van 10 september 2019 in de zaak van 1 [eiseres sub 1] , 2. [eiseres sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eiseressen bij concept-dagvaarding, advocaat mr. P.C. Schouten te Breda, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. de omroepvereniging BNNVARA, gevestigd te Hilversum, gedaagden, advocaten mr. Chr. A. Alberdingk Thijm en mr. E.H. Janssen te Amsterdam. Eiseressen zullen hierna ook [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden genoemd, en gedaagden zullen ook worden aangeduid als [gedaagde sub 1] en BNNVARA. 1De procedure Ter zitting van 10 september 2019 hebben eiseressen gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnota’s. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 10 september 2019 de beslissing gegeven in de vorm van een ‘kop-staart-vonnis’ en is partijen meegedeeld dat de uitwerking daarvan zou volgen op 20 september 2019. Het onderstaande vormt die uitwerking. Ter zitting waren aanwezig: aan de zijde van eiseressen: [eiseres sub 1] met mr. Schouten; aan de zijde van gedaagden: [naam 1] , legal counsel bij BNNVARA, [naam 2] , producent bij [gedaagde sub 1] , en [naam 3] , documentairemaakster, met mr. Alberdingk Thijm en mr. Janssen. 2De feiten 2.1. [eiseres sub 1] is de moeder van de op 21-jarige leeftijd overleden [naam overledene] . [eiseres sub 2] is zijn (half)zus. [naam overledene] is op [datum] neergeschoten door een politieagent in een park in [plaats] . Volgens de politie heeft [naam overledene] 112 gebeld met het verhaal beroofd te zijn in het park en heeft hij zijn eigen signalement doorgegeven. Hij volgde bevelen van de politieagent om zijn handen te laten zien niet op en haalde plotseling een zwart voorwerp tevoorschijn waarmee hij op de politieagent richtte terwijl hij op hem af kwam lopen. Daarop heeft de politieagent zeven schoten gelost, waarvan één [naam overledene] dodelijk heeft getroffen. 2.2. [eiseres sub 1] heeft aangifte gedaan van doodslag op haar zoon. De politie heeft onderzoek verricht en de rechter heeft geoordeeld dat de politieagent terecht heeft gedacht dat hij in gevaar verkeerde en uit noodweer heeft gehandeld. De conclusie van de politie is dat de dood van [naam overledene] een ‘suicide by cop’ was. 2.3. [naam 3] is documentairemaakster. Naar aanleiding van de nieuwsberichten die over de dood van [naam overledene] zijn verschenen heeft zij besloten een documentaire te maken, waarin zij onderzoekt wat er is gebeurd in het leven van [naam overledene] dat heeft geleid tot zijn dood. 2.4. [naam 3] heeft voor haar onderzoek over een periode van twee jaar uitgebreid gesproken met familie en vrienden van [naam overledene] , onder wie ook [eiseres sub 1] en haar ex-echtgenoot en de stiefvader van [naam overledene] , [naam stiefvader] . De documentaire is inmiddels gereed en heeft als titel ‘ [titel documentaire] ’. De producent, [gedaagde sub 1] , is voornemens de documentaire te vertonen in verschillende filmhuizen. De première is gepland op 10 september 2019. BNNVARA is van plan de documentaire op 25 september 2019 uit te zenden op televisiezender NPO3. Daarnaast wil BNNVARA de documentaire aanbieden op Uitzending Gemist. 2.5. Bij e-mail van 5 september 2019 heeft [eiseres sub 1] BNNVARA gesommeerd openbaarmaking van de documentaire te staken, onder meer omdat zij geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van door haar verstrekte informatie of voor het gebruik van het portret van [naam overledene] . 2.6. In een e-mail van 6 september 2019 heeft [gedaagde sub 1] laten weten niet aan de sommatie aan BNNVARA te zullen voldoen. 3Het geschil 3.1. Eiseressen vorderen – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad: gedaagden te bevelen zich te onthouden van het openbaar maken in welke vorm en in welk medium dan ook van een film waarin [naam overledene] door het publiek kan worden geïdentificeerd, en voor zover hij daarbij wordt beschuldigd van strafbare feiten, agressief gedrag, zijn geloofsovertuiging en/of afvalligheid van die geloofsovertuiging, dan wel het voorbereiden en/of uitvoeren van een ‘suicide by cop’, voor zover deze uitlatingen aantoonbaar geen steun vinden in de thans bekende feiten en omstandigheden en enkel berusten op mededelingen van de politie en het openbaar ministerie; gedaagden te bevelen zich te onthouden van het openbaar maken in welke vorm en in welk medium dan ook van een film waarin [eiseres sub 1] , in de hoedanigheid van de moeder van [naam overledene] , wordt beschuldigd van escalaties, ruzies en/of onenigheid tussen haar en [naam overledene] en/of tussen haar en haar voormalige echtgenoot en/of speculatie over enige andere handeling of gedraging die een verklaring zou kunnen vormen voor de dood van [naam overledene] ; gedaagden iedere openbaarmaking en verveelvoudiging van beeldopnamen van [naam overledene] te verbieden; [gedaagde sub 1] te gelasten tot verwijdering in de film van; - de beelden van de laatste brief van [naam overledene] ; - de beelden van de slaapkamer van [naam overledene] ; - de beelden van de herdenkingsbijeenkomst voor [naam overledene] in het park; - beelden van [naam overledene] waarin zijn portretrecht wordt geschonden; op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per incident, te betalen aan [eiseres sub 1] , vermeerderd met een bedrag van € 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt; zodanige andere voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter juist acht, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Gedaagden voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling Aanleiding en inhoud documentaire 4.1. [naam 3] was geraakt door de nieuwsberichten over de dood van [naam overledene] . Deze berichten plaatsten het schietincident in een bredere context van het verschijnsel ‘suicide by cop’. Ook werd in de nieuwsberichten een link gelegd met de protestbeweging ‘Black lives matter’, die aandacht vraagt voor politiegeweld tegen zwarte mensen. Een en ander was aanleiding voor haar om de documentaire te gaan maken. [naam 3] stelde zich de vraag of het wel terecht is dat de dood van [naam overledene] door de politie is afgedaan als ‘suicide by cop’ en zo ja, wat hem tot deze daad heeft gebracht. Zij besloot te onderzoeken wat er is gebeurd in het leven van [naam overledene] , dat heeft geleid tot zijn dood. Zij ging op zoek naar getuigen van zijn leven. [naam 3] beoogde niet zozeer een onderzoeksjournalistieke film te maken, maar meer om een artistiek portret van het leven van [naam overledene] te schetsen, waarbij de kijker zelf een oordeel mag vormen. Inhoud documentaire 4.2. In de documentaire worden school- en voetbalvrienden, de grootmoeder, een neef, kickboks-vrienden en de stiefvader van [naam overledene] en diens nieuwe partner geïnterviewd. De interviewfragmenten worden afgewisseld met beelden van de buurt waarin [naam overledene] opgroeide, het bankje in het park waar het schietincident heeft plaatsgevonden, fragmenten van een handgeschreven brief van [naam overledene] aan de [naam geloofsgemeenschap] – van welke gemeenschap hij enige tijd deel uitmaakte –, een shot van afscheidsberichten aan een ex-vriendin en een shot van de slaapkamer van [naam overledene] in de woning van [eiseres sub 1] die zij heeft gelaten zoals die was, een ‘museum van zijn leven’, met daarin een altaartje met foto’s en een kaars. Ook worden foto’s en video’s getoond van [naam overledene] (als kind) en wordt een shot getoond van de herdenkingsdienst voor [naam overledene] en van een demonstratie van ‘Black Lives Matter’. 4.3. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] spelen geen rol in de documentaire. De moeder wordt wel genoemd (zonder naam), maar aan het begin van de film zegt [naam 3] dat zij moeder heeft gesproken, dat moeder niet in de film wil, maar dat zij wel contact met haar houdt. 4.4. De geïnterviewden vertellen over de jeugd van [naam overledene] , die in het teken stond van voetbal. Hij had talent en werd gescout voor de jeugdopleiding bij [naam voetbalvereniging] . Vanwege een ruzie op het veld is hij daar geschorst, waarna hij fanatiek is gaan kickboksen. Ook wordt verteld over de scheiding van zijn ouders (moeder en stiefvader) op zijn vijftiende, en over zijn biologische vader, die kort voor de scheiding overleed, doodgeschoten door de politie, en die [naam overledene] nooit heeft ontmoet. [naam overledene] had het moeilijk met de scheiding. Hij had minder contact met zijn stiefvader en er waren naast de scheiding meer problemen in het gezin. Volgens zijn grootmoeder was [naam overledene] zoekende, was hij zijn identiteit kwijt. Met vrienden praatte hij daar niet over, maar zijn omgeving merkte wel dat hij een kort lontje had. Na uit de hand gelopen ruzies met zijn moeder en stiefvader is [naam overledene] in de crisisopvang gekomen en heeft hij 44 dagen in jeugddetentie gezeten. Daarna was hij enige tijd aangesloten bij de [naam geloofsgemeenschap] . De documentaire toont verder aantekeningen op de iPad van [naam overledene] . De kijker ziet een chatconversatie tussen [naam overledene] en een ex-vriendin, waarin hij afscheid lijkt te nemen en waarin hij zijn daad lijkt aan te kondigen. Vanwege die berichten, en een verwijzing naar een film waarin een gangster wordt doodgeschoten door de politie, concludeert de stiefvader dat [naam overledene] bewust voor een dood op deze manier heeft gekozen. Standpunt [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] 4.5. Eiseressen willen niet dat de film (verder) wordt vertoond of uitgezonden. Zij stellen dat het onrechtmatig is om [naam overledene] herkenbaar en met voornaam in beeld te brengen, omdat dit inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van hen als nabestaanden en op het portretrecht van [naam overledene] . De film geeft ten onrechte een beeld van [naam overledene] als zwarte, gewelddadige, agressieve jongen, die zijn hele leven een boefje is geweest. Ook bevat de film valse beschuldigingen in strafrechtelijke zin (zo wordt gesteld dat hij negen maanden jeugddetentie zou hebben gehad voor diverse zware vergrijpen, terwijl dat in werkelijkheid 44 dagen waren) en wordt [eiseres sub 1] er valselijk van beschuldigd het contact tussen [naam overledene] en zijn stiefvader te hebben gefrustreerd, terwijl hij van Bureau Jeugdzorg geen contact mocht hebben met de kinderen. [naam overledene] was een zware jongen, een slechte gelovige, en nadat hij was gestopt de bijeenkomsten van de [naam geloofsgemeenschap] te bezoeken is hij afgezakt, aldus de stiefvader. [gedaagde sub 1] neemt klakkeloos aan wat de stiefvader vertelt, zonder te verifiëren of zijn beweringen juist zijn en zonder er rekening mee te houden dat stiefvader een ernstig conflict had met [naam overledene] . 4.6. [eiseres sub 1] heeft nooit toestemming gegeven voor het maken van de film en voor het gebruiken van door haar verstrekte informatie, en het is voor haar en haar dochter bijzonder pijnlijk als deze film wordt uitgezonden. [gedaagde sub 1] en BNNVARA hebben bovendien geen enkel belang bij het openbaar maken van de film. Het is niets dan “racistisch voyeurisme”. [naam overledene] wordt in het frame gezet van de jonge zwarte man met een kort lontje, niet goed genoeg voor succes in het leven, als minderjarige al een straf van negen maanden achter de kiezen, de gevallen atleet, gedood door een politiekogel. [naam overledene] wordt tot een object gemaakt van de zwarte jongen zoals [naam 3] hem ziet. Het privacybelang van [eiseres sub 1] weegt daarom zwaarder dan het belang van gedaagden. [eiseres sub 1] wil niet dat de documentaire wordt vertoond of uitgezonden. Nadat zij in eerste instantie gesprekken had gevoerd met [naam 3] , de kamer van [naam overledene] heeft laten filmen en de brief van [naam overledene] aan de [naam geloofsgemeenschap] aan haar had getoond, heeft zij op 20 maart 2019 duidelijk medegedeeld (per WhatsApp-bericht) dat zij geen toestemming geeft voor het maken van een film over [naam overledene] . [naam 3] had de informatie en beelden die door [eiseres sub 1] beschikbaar zijn gesteld dan ook niet mogen gebruiken, aldus steeds eiseressen. Juridisch kader 4.7. Toewijzing van het door eiseressen gevorderde uitzendverbod zou een beperking inhouden van het in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 lid 1 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde grondrecht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, indien de uitzending van de documentaire onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 4.8. Een actie uit onrechtmatige daad, strekkend tot een verbod vooraf van uitzending, komt alleen voor toewijzing in aanmerking wanneer de mogelijkheid van schade is gesteld en aannemelijk gemaakt. 4.9. Eiseressen stellen dat hiervan sprake is, volgens hen is sprake van immateriële schade. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW bestaat – voor zover hier relevant – uitsluitend recht op immateriële schadevergoeding indien: onder b: eiseressen zelf in hun eer of goede naam zijn geschaad of op andere wijze in hun persoon zijn aangetast; of onder c: het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] (als bloedverwanten tot in de tweede graad van de overledene), mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam. 4.10. Primair lijkt mr. Schouten te bepleiten (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376) dat het enkele feit dat de documentaire inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres sub 1] (de documentaire gaat immers over het leven en de dood van haar kind, over haar rouw) op zich al zodanig ernstig is dat [naam 3] daarom zonder toestemming van [eiseres sub 1] ervan af had moeten zien om de documentaire te maken, en in ieder geval zou het ontbreken van haar toestemming tot een verbod op vertoning daarvan moeten leiden. Dit standpunt komt er in feite op neer dat [eiseres sub 1] een vetorecht zou hebben. In dit standpunt wordt [eiseres sub 1] niet gevolgd. Hoewel het voor [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zonder twijfel pijnlijk en verdrietig moet zijn om te worden geconfronteerd met een film over het leven en de dood van [naam overledene] , heeft de moeder van een overledene een dergelijk vetorecht niet. Het arrest van 15 maart 2019 biedt hiervoor geen aanknopingspunten. In dat arrest stond vast dat een fundamenteel recht was geschonden, dat onrechtmatig was gehandeld. Voor het eveneens door mr. Schouten genoemde arrest van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) geldt hetzelfde. Dat arrest ging over de positie van de benadeelde partij in het strafrecht (en daarin was het onrechtmatig handelen dus ook een gegeven). In het arrest van 15 maart 2019 lag slechts de vraag voor of er (immateriële) schade was geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen. Of sprake is van onrechtmatig handelen moet in dit geval eerst nog worden beoordeeld. Het enkele feit dat de documentaire vanzelfsprekend ook aan de persoonlijke levenssfeer van de moeder raakt is daarvoor onvoldoende. Concrete bezwaren [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] 4.11. Concreet heeft [eiseres sub 1] de volgende bezwaren tegen de film. Ten aanzien van haar eer en goede naam heeft zij gesteld dat zij door haar ex-echtgenoot ten onrechte ervan wordt beschuldigd dat zij het contact tussen hem en [naam overledene] heeft gefrustreerd. Dit wordt op twee momenten in de film (door de ex-echtgenoot) gezegd. Voor die bewering is volgens [eiseres sub 1] geen steun in de feiten. Het was Bureau Jeugdzorg die het contact tussen de kinderen en (stief)vader heeft verboden. Verder vormt het tonen van de handgeschreven brief, de kinderkamer van [naam overledene] bij [eiseres sub 1] thuis, de beelden van de herdenkingsdienst waarop [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] herkenbaar in beeld zijn, en de foto’s en video’s van [naam overledene] een inbreuk op haar privacy, op het auteursrecht en het portretrecht. De beoordeling van deze bezwaren volgt hierna onder 4.18 en verder. Aantasting van de nagedachtenis van [naam overledene] (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.