RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/046771-19 (ontneming) Datum uitspraak: 3 oktober 2019 Tegenspraak VONNIS Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/046771-19, tegen: [veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde, geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] . 1Het onderzoek op de zitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 19 september
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van de Venn en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P. Figge naar voren hebben gebracht. 2De vordering De vordering van de officier van justitie van 20 augustus 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 430,
- Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het voordeel genoten uit zaak A waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak bij vonnis van heden, 3 oktober 2019, is veroordeeld. 3Grondslag van de vordering Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2019 ter zake van (onder meer) het volgende strafbare feit veroordeeld: Zaak A: diefstal door twee of meer verenigde personen 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.
- Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden toegewezen. 4.
- Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om de ontnemingsvordering af te wijzen, gelet op de bepleitte vrijspraak. Verder is geen verweer gevoerd op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel of uitgegaan van een andere opbrengst. 4.
- Het oordeel van de rechtbank Uit het strafdossier is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde financieel voordeel heeft genoten. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de voornoemde bewezen verklaarde feiten. De rechtbank schat, gelet op het voorgaande, het wederrechtelijk door veroordeelde verkregen voordeel op een bedrag van: € 430,
- 5Toepasselijke wettelijke voorschriften De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 6Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 430,97 (vierhonderddertig euro en zevenennegentig eurocent). Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 430,97 (tweeduizend honderdnegentien euro en tweeënnegentig cent). Dit vonnis is gewezen door: mr. L. Dolfing voorzitter, mrs. L. Voetelink en D.W. van Putten - de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 3 oktober
- De jongste rechter is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.