RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/654034-19 Datum uitspraak: 4 oktober 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Op 20 september 2019 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig. Daarnaast was als raadsman van verdachte aanwezig mr. J.W.F. Menick. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Dankers, de vordering van de benadeelde partij en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij zich op 10 augustus 2017 heeft schuldig gemaakt aan het plegen van een overval bij de [naam bedrijf] in Amsterdam (primair) dan wel aan een poging daartoe (subsidiair). De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. 3Waardering van het bewijs 3.1 Inleiding Op 10 augustus 2017 heeft er een overval plaatsgevonden in de tweedehands [naam bedrijf] gevestigd aan het [adres] in Amsterdam. De overvaller heeft twee medewerkers, [naam 1] (hierna [naam 1] ) en [naam 2] (hierna [naam 2] ), bedreigd met een busje pepperspray en de medewerkers onder bedreiging geld uit de kassa en telefoons in een plastic tas laten stoppen. Vlakbij de voordeur heeft [naam 1] geprobeerd om de overvaller te overmeesteren. Hij heeft de plastic tas naar achter getrokken en achter zich gegooid. Daarop heeft de overvaller met het busje pepperspray op beide medewerkers gespoten. In de worsteling die ontstaat wordt [naam 1] meerdere malen op zijn hoofd geslagen door de overvaller. Uiteindelijk heeft de overvaller zijn busje pepperspray en de plastic tas met inhoud laten liggen en is hij de winkel uit gevlucht. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde afpersing. Hij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. In 2018 krijgt de politie nieuwe informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) dat verdachte de overvaller op de [naam bedrijf] kan zijn. In een eerdere mutatie van Meld Misdaad Anoniem (MMA) werd verdachte ook al genoemd als mogelijke dader van de overval. Verdachte lijkt erg veel op de man die op de camerabeelden is te zien. Daar komt bij dat verdachte verklaart dat hij ook een soortgelijk trainingspak heeft. Bovendien matcht het DNA op het busje pepperspray dat is aangetroffen met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft daar in eerste instantie over gezwegen en is ter zitting ook niet met een heldere verklaring daarvoor gekomen. Het geld en de telefoons waren al in de rode plastic tas gestopt en daarmee is een voltooide afpersing gepleegd. Dat de plastic tas later is afgepakt en niet door verdachte is meegenomen, doet daar niet aan af. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen aangevoerd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken en heeft daartoe – samengevat – het volgende gesteld. De verdediging ziet geen duidelijke gelijkenissen tussen verdachte en de overvaller op de camerabeelden. Ook zijn bij de arrestatie van verdachte geen huiszoekingen verricht naar kleding van verdachte met dezelfde specifieke kenmerken als de kleding van de dader. Daar komt bij dat niet is aangegeven waar op het busje pepperspray de bemonstering is afgenomen. Nu niet specifiek is onderzocht of het DNA op de drukknop van het busje pepperspray is aangetroffen, is niet met zekerheid te zeggen dat verdachte met het busje pepperspray heeft gespoten. Op grond van het voorgaande kan dan ook niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de dader is van de overval op de elektronicawinkel. 3.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde afpersing. Zij overweegt daartoe het volgende. Op de camerabeelden, waarvan zich stills in het dossier bevinden en welke beelden de rechtbank ter zitting heeft getoond, is te zien dat de overvaller zonder het dragen van handschoenen met een busje pepperspray heeft gespoten op [naam 2] en [naam 1] . Dit busje pepperspray is door de overvaller in de winkel achtergelaten en bemonsterd door de politie ( [nummer] ). Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI) is vervolgens een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen aangetroffen. Deze bemonstering is anderhalf jaar later door het NFI vergeleken met het DNA van verdachte dat bij hem is afgenomen naar aanleiding van de TCI-melding van 10 januari 2019 en het daarop volgende proces-verbaal van verbalisant [naam] waaruit blijkt dat hij sterke gelijkenissen ziet tussen de foto’s van verdachte op social media en de dader van de overval op de [naam bedrijf] . Uit het onderzoek van het NFI bleek vervolgens dat het verkregen DNA-mengprofiel [nummer] #01 42 miljoen keer waarschijnlijker is onder de hypothese dat de bemonstering van het eerder inbeslaggenomen busje pepperspray DNA bevat van verdachte en twee willekeurige onbekende personen dan onder de hypothese dat deze bemonstering DNA bevat van drie willekeurige andere personen. De rechtbank gaat er op grond van voornoemde bevindingen dan ook vanuit dat het DNA-materiaal dat is aangetroffen op het busje pepperspray onder meer afkomstig is van verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet weet hoe zijn DNA op het busje pepperspray kan zijn gekomen, dat hij mogelijk een busje pepperspray heeft vastgehouden tijdens een opname van een videoclip maar dat hij zich dit niet meer kan herinneren. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee geen aannemelijk geworden en hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het busje pepperspray dat is gebruikt bij de overval, terwijl het bewijs tegen verdachte van dien aard is dat het ‘schreeuwt’ om een verklaring van verdachte. De rechtbank overweegt daartoe dat het in dit geval gaat om een busje pepperspray en dat dit een niet alledaags voorwerp is dat men over het algemeen bij zich draagt. Indien het DNA van verdachte op een andere wijze op het busje pepperspray zou zijn gekomen, zou het daarom aannemelijk zijn dat verdachte hier een concrete verklaring voor zou hebben. De rechtbank concludeert op grond van het hiervoor overwogene dat het busje pepperspray, bij gebreke van een andere aannemelijke verklaring, door verdachte is gebruikt tijdens de overval en vervolgens daar is achtergelaten. Het verweer dat niet duidelijk blijkt of de drukknop van het busje is onderzocht en dus niet of verdachte degene is geweest die met het busje heeft gespoten, slaagt gelet op voorgaande overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, niet. Het dossier bevat weliswaar geen herkenning van de overvaller op de camerabeelden maar de rechtbank is van oordeel dat deze camerabeelden zeker niet uitsluiten dat verdachte de overvaller is geweest. Verbalisant [naam] heeft in zijn proces-verbaal geverbaliseerd dat hij sterke gelijkenissen ziet tussen dat de foto’s van verdachte op social media en de dader van de overval op de [naam bedrijf] . Ook de rechtbank heeft waargenomen dat er geen opvallende verschillen zijn tussen verdachte en de overvaller op de beelden en dat het uiterlijk van verdachte goed past bij het uiterlijk van de overvaller op de camerabeelden. De rechtbank is van oordeel dat met name de mond en de neus van de persoon op de camerabeelden sterke gelijkenissen vertonen met verdachte en met zijn ID-staat foto op pagina G2 012 van het dossier. Bovendien heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij een zelfde soort trainingspak heeft als het trainingspak dat de overvaller draagt op de camerabeelden. Het uiterlijk van verdachte sterkt de rechtbank dan ook in haar overtuiging dat het de verdachte is geweest die deze overval heeft gepleegd. Gelet op de hiervoor genoemde belastende omstandigheden in combinatie met het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde afpersing heeft gepleegd. Verder is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat sprake is van een voltooide afpersing. Verdachte heeft door fysiek geweld en door bedreiging met geweld twee medewerkers gedwongen om telefoons en geld uit de kassa in een eerder door hem verkregen plastic tas te doen. Op dat moment had hij de beschikkingsmacht over de telefoons en het geld. Er was dan ook sprake van een voltooid delict. Dat de plastic tas vervolgens tijdens de vlucht van verdachte door [naam 1] is afgepakt en in de winkel is blijven liggen, doet daar niet aan af. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 10 augustus 2017 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een aantal mobiele telefoons en een geldbedrag, toebehorende aan [naam bedrijf] gevestigd [adres] [huisnummer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte; - een pepperspraybusje op die [naam 1] en [naam 2] heeft gericht en - daarbij op dreigende toon heeft gezegd: "Dit is een overval" en "Doe de telefoons in de tas" en - met pepperspray in het gezicht van die van [naam 1] en die [naam 2] heeft gespoten en - die van [naam 1] tegen het hoofd heeft geslagen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Motivering van de straffen en maatregelen 5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.