ECLI:NL:RBAMS:2019:7617
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 6468875 CV EXPL 17-26514 vonnis van: 8 oktober 2019 Vonnis van de kantonrechter i n z a k e [eiseres] wonende te [woonplaats] eiseres nader te noemen: [eiseres] gemachtigde: mr. A.C. van der Bent t e g e n de besloten vennootschap IBM Nederland B.V. gevestigd te Amsterdam gedaagde nader te noemen: IBM gemachtigde: mr. B.S. Hagemann VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE De kantonrechter is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen: tussenvonnis van 5 maart 2019 en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen. Bij dat tussenvonnis is een comparitie van partijen gelast; brief van 30 augustus 2019 van de kantonrechter aan de gemachtigden van partijen met betrekking tot de comparitie; comparitie van partijen, gehouden op 11 september 2019. Aanwezig waren: [eiseres] , haar gemachtigde en de zoon van [eiseres] ( [naam zoon] ). IBM is vertegenwoordigd door [naam 1] , vergezeld door de gemachtigde en een kantoorgenoot van de gemachtigde, mr. T. Huijg. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord; dagbepaling vonnis.
GRONDEN VAN DE BESLISSING Verdere beoordeling In het tussenvonnis van 5 maart 2019 zijn onder 1.1 tot en met 1.8 de feiten vastgesteld. [eiseres] heeft bij de comparitie van partijen – onweersproken – naar voren gebracht dat in 1.4 van het tussenvonnis ten onrechte is vermeld dat zij per 1 december 2010 is gepensioneerd en dat dit 1 maart 2014 moet zijn. Dat wordt hierbij gerectificeerd.
Het gaat in deze zaak, gelet op de vastgestelde feiten, samengevat, om het volgende. [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , was in dienst van Coopers & Lybrand. Door een zogenoemde “overgang van onderneming” kwam [eiseres] in dienst van PWC Consulting. De aandelen in PWC Consulting zijn verkocht aan IBM. PWC Consulting ging IBM Business Consulting Services (hierna: IBM BCS) heten. IBM heeft [eiseres] een zogenoemde “aanstellingsbrief” (20 mei 2003) gezonden. [eiseres] heeft de aanstellingsbrief voor akkoord ondertekend. Zij is daardoor op nieuwe, gewijzigde arbeidsvoorwaarden in dienst getreden van IBM. De nieuwe arbeidsovereenkomst kwam in de plaats van en verving de bestaande arbeidsovereenkomst van [eiseres] met IBM BCS. IBM en IBM BCS zijn op 11 juli 2003 gefuseerd. Daardoor is IBM BCS als rechtspersoon opgehouden te bestaan. [eiseres] is op 1 maart 2014 gepensioneerd. [eiseres] stelt dat hoewel juridisch geen noodzaak bestond om een nieuwe, gewijzigde arbeidsovereenkomst te sluiten, IBM haar desondanks ertoe heeft bewogen op gewijzigde arbeidsvoorwaarden bij haar in dienst te treden. IBM heeft [eiseres] echter zowel ten aanzien van de noodzaak tot het aangaan van een nieuwe, gewijzigde arbeidsovereenkomst als ook ten aanzien van de gelijkwaardigheid van haar oude en nieuwe arbeidsvoorwaarden een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. [eiseres] stelt (primair) dat zij heeft gedwaald bij het aangaan van de nieuwe, gewijzigde arbeidsovereenkomst met IBM. Subsidiair stelt zij dat IBM onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en (meer-subsidiair) dat IBM in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld en daardoor toerekenbaar is tekortgeschoten. [eiseres] stelt dat zij als gevolg van het aangaan van de nieuwe, gewijzigde arbeidsovereenkomst met IBM is benadeeld. Zij blijkt vooral een veel lager (pre)pensioen te hebben opgebouwd dan haar door haar voormalige werkgever was toegezegd, aldus [eiseres] .
IBM voert aan dat [eiseres] er ten onrechte aan voorbij gaat dat de pensioenrechten en -aanspraken die zij jegens IBM BCS kon laten gelden, op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de overgang van een onderneming, waaronder op grond van artikel 7:662 lid 2 sub a ook een fusie is te verstaan, in afwijking van artikel 2:309 BW niet per definitie van rechtswege overgaan op IBM. Immers, indien – zoals hier het geval is – de verkrijgende onderneming (IBM) haar eigen, reeds bestaande pensioenregeling aanbiedt aan de overgaande werknemers (zoals [eiseres] ) geldt op grond van artikel 7:664 lid 1 sub a BW de hoofdregel van artikel 7:663 BW niet, aldus IBM. Dat betekent volgens IBM dat de bestaande IBM-pensioenregeling ook op [eiseres] toepasselijk zou zijn geworden indien zij geen nieuwe arbeidsovereenkomst met haar zou hebben gesloten.
De kantonrechter overweegt als volgt. Er heeft een juridische fusie plaatsgevonden tussen IBM en IBM BCS. Op grond van artikel 2:309 BW heeft IBM onder algemene titel het vermogen van IBM BCS verkregen. Dat betekent dat – de aanvaarding door [eiseres] van het aanbod tot het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst weggedacht – alle rechten en verplichtingen van IBM BCS als gevolg van de fusie op IBM overgingen. De vraag is of de pensioenrechten van [eiseres] van die overgang zijn uitgezonderd omdat in artikel 7:662 lid 2 sub a BW de fusie als een vorm van “overgang van onderneming” wordt beschreven waarop Boek 7 titel 10 afdeling 8 van toepassing is en het daarin opgenomen artikel 7:664 lid sub a BW ten aanzien van pensioenrechten een uitzondering maakt op de hoofdregel van artikel 7:663 BW. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.
De Memorie van Toelichting (Kamerstukken 2000-01, 27 469, nr. 3) bij het wetsvoorstel in het kader van de implementatie van richtlijn 98/50/EG van 28 juni 1998 tot wijzing van richtlijn 77/187/EEG houdt onder meer het volgende in:(…)ARTIKELENArtikel IWijzigingen van Boek 7 van het Burgerlijk WetboekArtikel 662(…)Met betrekking tot de fusie is opgemerkt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn van 1977, dat deze leidt tot <een overgang van rechtswege van het vermogen en van de rechten en de verplichtingen>. In de huidige wet hoefde geen bepaling te worden opgenomen om de overgang van rechten en verplichtingen te bewerkstelligen (Kamerstukken II 1979-80, 15 940, nr. 3, blz 4). Om die reden is destijds de rechtsfiguur van fusie niet afzonderlijk vermeld in het toenmalige artikel 1639aa. In het wetsvoorstel wordt het nieuwe artikel 665a opgenomen; dit artikel heeft geen betrekking op de overgang van rechten en verplichtingen, maar legt op de werkgever de verplichting de werknemers in kennis te stellen van de overgang. Deze verplichting bestaat niet van rechtswege bij fusie. Om die reden wordt thans de fusie uitdrukkelijk genoemd als een wijze van overgang die onder de artikelen 662 en volgende valt. (…) Met andere woorden: in de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot “overgang van onderneming” werd de fusie niet vermeld omdat de overgang van rechten en verplichtingen van werknemers reeds werd bewerkstelligd door de rechtsgevolgen van de fusie zelf (artikel 2:309 BW). Om echter zeker te stellen dat het in te voeren artikel 7:665a BW, dat geen betrekking heeft op de overgang van rechten en verplichtingen, ook van toepassing zou zijn bij een fusie, is de fusie alsnog in artikel 7:662 BW genoemd. Meer of anders werd daarmee blijkens de Memorie van Toelichting niet beoogd. Anders dan IBM meent, is de uitzondering ten aanzien van de overgang van pensioenrechten in artikel 7:664 BW dus niet aan te merken als een bijzondere wettelijke afwijking van de overgang onder algemene titel op grond van artikel 2:309 BW. Er zijn geen gronden om de regel van artikel 7:664 BW voor te laten gaan op de algemene regel van artikel 2:309 BW. Het verweer van IBM is tevergeefs.
IBM heeft naar voren gebracht dat de ondernemingsraad van IBM BCS heeft ingestemd met wijziging van de pensioenvoorwaarden. Volgens IBM is [eiseres] direct en zonder dat nog een apart zwaarwichtig belang bij IBM vereist was, gebonden aan de instemming van de ondernemingsraad aan de wijziging van de pensioenrechten. Die directe gebondenheid van [eiseres] volgt volgens IBM uit de toepasselijke pensioenreglementen. IBM heeft bij conclusie van antwoord sub 5.9 naar voren gebracht in die fase van de procedure geen beroep op dit verweer te doen. Zij behield zich daarbij het recht voor dat later in deze procedure of in hoger beroep alsnog te doen. In de conclusie van dupliek sub 5.14 heeft IBM alsnog een beroep op dit verweer gedaan en heeft zij dat verweer verder uitgewerkt. [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen die gang van zaken. Het is volgens haar in strijd met het principe van “concentratie van verweren” en het benadeelt haar in de mogelijkheden om te reageren op het verweer. De comparitie, na de conclusie van dupliek, leent zich daar niet, of althans niet optimaal voor, aldus [eiseres] .
Dat processuele bezwaar van [eiseres] wordt verworpen. Hoewel niet duidelijk is waarom IBM haar verweer bij conclusie van antwoord wel noemde, maar (vooralsnog) niet uitdrukkelijk voerde, heeft [eiseres] bij de mondelinge behandeling de gelegenheid gehad en genomen om daarop in extenso te reageren. Op welke manier zij desondanks is beperkt in haar mogelijkheden om te reageren op het verweer van IBM, heeft zij niet uiteengezet. [eiseres] heeft bij de comparitie en overigens ook al in haar akte uitlating producties sub 14 betwist dat de ondernemingsraad heeft ingestemd met wijzigingen in de pensioenvoorwaarden. IBM was volgens [eiseres] destijds zelf van mening dat de ondernemingsraad niet om instemming gevraagd hoefde te worden ten aanzien van de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden. De ondernemingsraad is dan ook alleen om advies gevraagd, aldus [eiseres] .
IBM, op wie op dit punt de stelplicht rust, heeft daarop niet, althans niet op voldoende concrete wijze gereageerd. Uit hetgeen IBM naar voren heeft gebracht, blijkt namelijk niet wanneer en op welke wijze de ondernemingsraad de door haar bedoelde instemming heeft gegeven. Uit de producties die IBM bij conclusie van antwoord heeft overgelegd, blijkt dat de ondernemingsraad uitsluitend om adviezen is gevraagd. Die adviezen van de ondernemingsraad zijn niet op één lijn te stellen met de door IBM gestelde instemming van de ondernemingsraad met wijziging van de pensioenvoorwaarden, op welke instemming IBM zich beroept en waaraan [eiseres] op grond van de toepasselijke pensioenreglementen volgens IBM gebonden was. Het standpunt van IBM dat de ondernemingsraad wél instemming heeft gegeven aan wijziging van de pensioenvoorwaarden is, daargelaten of [eiseres] daaraan gebonden zou zijn, te vaag en onvoldoende onderbouwd gebleven. Voor nader onderzoek naar de juistheid van die stelling van IBM is om die reden geen plaats.
De tussenconclusie op grond van het voorgaande is dat artikel 7:664 lid 1 sub a BW, noch instemming van de ondernemingsraad er aan in de weg staan dat alle verplichtingen van IBM BCS die voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst met [eiseres] – waaronder ook de pensioenverplichtingen – als gevolg van de fusie met IBM op grond van artikel 2:309 BW, onder algemene titel, ongewijzigd, op IBM zouden zijn overgegaan, ware het niet dat [eiseres] door aanvaarding van het aanbod van IBM in de brief van 20 mei 2003 een nieuwe, gewijzigde arbeidsovereenkomst met IBM is aangegaan. De vraag is of het handelen of nalaten van IBM, leidende tot het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft gehad:- dat die overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen;of - dat het handelen of nalaten van IBM als onrechtmatig dan wel als tekortkoming in haar contractuele verplichtingen jegens [eiseres] is aan te merken.
Dwaling 15. [eiseres] heeft gesteld dat zij bij het aangaan van de nieuwe, gewijzigde arbeidsovereenkomst heeft gedwaald:(i) omdat ten onrechte bij haar de indruk is gewekt dat haar nieuwe arbeidsvoorwaarden gelijkwaardig zouden zijn aan de arbeidsvoorwaarden die op dat moment voor haar golden;en(ii) omdat ten onrechte bij haar de indruk is gewekt dat zij geen andere keuze had dan het aanbod in de brief van 20 mei 2003 te aanvaarden en een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan.
Onrechtmatige daad/tekortkoming 20. IBM en IBM BCS waren in een complex fusieproces verwikkeld. Naast alle andere gevolgen van die fusie zouden door die fusie ook 1.800 werknemers van IBM BCS, waaronder [eiseres] , bij IBM komen te werken. In dat fusieproces had IBM belang bij harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden van die 1.800 werknemers met de arbeidsvoorwaarden van de werknemers die reeds bij haar in dienst waren. Alleen al omdat voor haar ongewenst was dat de werknemers binnen één onderneming op verschillende manieren zouden worden beloond. Op zichzelf genomen is juist – zoals IBM betoogt – dat van haar in zo’n omvangrijk en complex fusieproces niet kan worden verlangd dat zij alle betrokken werknemers in vergaande mate voorziet van op maat gesneden, individuele informatie. Zij mocht daarom bij de informatievoorziening, bijvoorbeeld over de vergelijking van de bestaande en nieuwe arbeidsvoorwaarden, gebruik maken van een zogenoemde “maatmanmethodiek” (een denkbeeldige, gemiddelde werknemer) en van collectieve informatievoorziening. Van [eiseres] mag verlangd worden dat zij zich destijds in redelijke mate heeft ingespannen om kennis te nemen van die informatie en dat zij die informatie probeerde te doorgronden, zo nodig met hulp van de faciliteiten die IBM verschafte, zoals het ter beschikking stellen van pensioen- en HR-adviseurs.
Vervolg 33. Beoordeeld zal moeten worden welke schade [eiseres] heeft geleden. Het komt daarbij aan op het maken van een vergelijking tussen:- de situatie van [eiseres] waarin zij is komen te verkeren nu zij een nieuwe, gewijzigde arbeidsovereenkomst met IBM is aangegaan;en - de hypothetische situatie waarin zij zou hebben verkeerd als het onzorgvuldig handelen van IBM en het tekortschieten in haar verplichtingen wordt weggedacht en zij die overeenkomst niet zou hebben gesloten maar op haar bestaande arbeidsvoorwaarden – inclusief pensioenrechten – bij IBM in dienst zou zijn getreden. Er is geen reden daartoe een afzonderlijke schadestaatprocedure op te tuigen omdat die schade ook in onderhavige procedure kan worden vastgesteld.
BESLISSING De kantonrechter: verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 5 november te 10:00 uur voor het nemen van een akte door [eiseres] als hiervoor in rechtsoverweging 34 bedoeld; houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.