RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751752-19 RK nummer: 19/4805 Datum uitspraak: 27 september 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 augustus 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 februari 2019 door de Regional Court in Poznan (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993, verblijvende op het adres: [adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 september
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment van de Poznan District Court van 28 februari 2017 (referentie: VIII K 1256/16). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Hoewel volgens het EAB de dagvaarding naar Pools recht op de juiste wijze is betekend, staat niet op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon de dagvaarding zelf heeft ontvangen en bijgevolg op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van zijn proces, noch dat hij de informatie over het tijdstip en de plaats van zijn proces daadwerkelijk heeft ontvangen (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 45 en punt 47). Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 12, aanhef en onder a van de OLW. Verder is niet gebleken dat zich één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b en c van de OLW heeft voorgedaan. Bij e-mail van 14 augustus 2019 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum te Amsterdam de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht een onvoorwaardelijke garantie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, van de OLW te verstrekken. In een brief van 29 augustus 2019 heeft een rechter van de District Court in Poznan als volgt gereageerd: ‘the only option is to file a motion to reset the date for the judgment appeal, which can be accepted or rejected.’ Hieruit blijkt dat geen onvoorwaardelijke verzetgarantie is of zal worden verstrekt, zodat de overlevering moet worden geweigerd. 5Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 6Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon]. STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd. Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A.A. Spoel en H.J. Fehmers, rechters, in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 september
- De oudste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.