← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:7959

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751.545-19 RK nummer: 19/3997 Datum uitspraak: 5 september 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 mei 2019 door the Regional Court in Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [naam opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 augustus

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een final and non-appealable sentence of the District Court in Gryfice van 30 december 2011 met zaaknummer II K 1114/10, waarin een voorwaardelijke vrijheidsstraf aan de opgeëiste persoon is opgelegd. Bij beslissing van 20 juli 2016 (zaaknummer II Ko 86/16) is de voorwaardelijke vrijheidsstraf in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf omgezet. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog drie jaren, zes maanden en twee dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. In aanvulling op het EAB heeft de Poolse uitvaardigende autoriteit desgevraagd te kennen gegeven dat de opgeëiste persoon correct is gedagvaard en dat het vonnis in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt op 5 januari 2012, toen hij in the Remand Centre in Szezecin verbleef, samen met informatie over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij hoger beroep kon indienen. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij in persoon van de terechtzitting en van het vonnis op de hoogte is geraakt. Hij heeft geen appel ingesteld omdat het vonnis een voorwaardelijke vrijheidsstraf inhield. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing, omdat de omstandigheden als bedoeld onder artikel 12, sub a en c, OLW zich voordoen. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd, namelijk dat de aanvullende informatie niet afdoende is om aan te kunnen nemen dat de opgeëiste persoon zijn verdediging optimaal heeft kunnen voeren, leidt niet tot een ander oordeel. 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: I tot en met III, V tot en met XIII, XVI, XX, XXII tot en met XXVI, XXIX tot en met XXXI, XXXV tot en met XXXVII, XLII, XLVIII, L tot en met LII, LV, LVI, LVIII, LXI, LXV, LXVII tot en met LXXIII, LXXV tot en met LXXVIII, LXXXII, LXXXIII, LXXXVIII tot en met XCVII, C, CX, CXI, CXIII tot en met CXVI en CXXIV Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak IV, XIV, XV, XVIII, XXI, XXXVIII, XXXIX, XLV, LVII, LIX, LXII, LXIII, LXVI, LXXIV, LXXXI, LXXXIV, LXXXV, XCIX, CII, CIII, CVII tot en met CIX, CXII, CXVII en CXIX Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak XVII, XIX, XXVII, XXVIII, XXXII tot en met XXXIV, XL, XLI, XLIM, XLVI, XLVII, XLIX, LIII, LIV, LX, LXIV, LXXIX, LXXX, LXXXVI, LXXXVII, XCVIII, CI, CIV tot en met CVI, CXVIII, CXXII, CXXIII en CXXVI Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak XLIII, XLIV, CXX en CXXI Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak CXXV Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming CXXVII Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen CXXVIII Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen CXXIX Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 47, 311 en 350 Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin (Polen). Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. A.W.C.M. van Emmerik en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 september
  2. De voorzitter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.