← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:8029

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751765-19 (EAB I) RK nummer: 19/4888 Datum uitspraak: 24 oktober 2019 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 augustus 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 april 2019 door the Regional Court in Elbląg II Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis gewezen door the Regional Court in Elbląg, II Criminal Division en gedateerd 16 maart 2018, referentienummer: II K 77/17. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaren, 9 maanden en 3 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Bij arrest van 10 augustus 2017 heeft het Hof van Justitie in de zaak Tupikas geoordeeld dat bij de toets van artikel 12 OLW gekeken moet worden naar de laatste instantie waarin definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en waarin hij definitief is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Uit de brief van de Poolse justitiële autoriteiten van 23 september 2019 blijkt dat hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van the Regional Court in Elbląg, II Criminal Division van 16 maart 2018 en dat het vonnis in hoger beroep is bekrachtigd. Ook blijkt uit voornoemde brief dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de behandeling in eerste aanleg. Bij brief van 23 september 2019 hebben de Poolse justitiële autoriteiten voorts informatie verstrekt over de procedure in hoger beroep. Deze informatie houdt het volgende in: “(…) It turns out from the fact that on 16 April 2018 the defendant authorised in writing his attorney to lodge an appeal against the judgement. At the appeal hearing, where above mentioned appeal was examined, the defendant [opgeëiste persoon] did not appear, however a trainee solicitor appeared who had been authorised by the defendant’s attorney.” Gelet hierop stelt de rechtbank - onder verwijzing naar haar uitspraak van 28 mei 2019 - vast dat het vonnis in hoger beroep is gewezen terwijl de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 sub b OLW zich heeft voorgedaan. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing. 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: ten aanzien van feit A:eendaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. ten aanzien van feit B:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. ten aanzien van feit C:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. 6Artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) 6.1. Inleiding De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018. In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 18 januari 2019, betreffende een overleveringszaak waarin sprake was van een Pools executie-EAB, vastgesteld: dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen; dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast; dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen; dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in haar uitspraak van 18 januari 2019 een aantal vragen geformuleerd - de vragen I. en II. A tot en met E - en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. Deze vragen worden in alle Poolse overleveringszaken gesteld waarin de Poolse rechtsstaat aan de orde komt. Naar aanleiding van antwoorden die sindsdien door de uitvaardigende justitiële autoriteit in vergelijkbare zaken zijn verstrekt, heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 27 september 2019 geoordeeld: dat de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen op dit moment zodanig is, dat de genoemde structurele gebreken in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben; dat om die reden kan worden aangenomen dat aan stap twee is voldaan; dat, tenzij zich nieuwe, relevante, ontwikkelingen op het gebied van de Poolse rechtstaat voordoen, uitsluitend voormelde vragen I. en II. C – in het kader van de beoordeling van stap drie – nog hoeven te worden gesteld. 6.2. Gevolgen voor de onderhavige zaak In de onderhavige zaak heeft de rechter bij the Regional Court in Elbląg, T. Piechowiak, in een brief van 23 september 2019 meegedeeld dat de concreet bevoegde rechterlijke instantie in eerste aanleg the Regional Court in Elbląg was. Hij heeft met betrekking met de vragen II. C. 1 tot en met C. 3 het volgende geantwoord: C. 1: Yes, the disciplinary proceedings were initiated with reference to the former President of the Court. Due to the fact, that the proceeding is still pending before the Disciplinary Proceedings Representative, the reasons are unknown. C. 2: The changes in remuneration of judges are made on the basis of a mechanism which has existed for many years, described in the law on the system of common courts and therefore they are not linked with the changes of provisions of the law referring the courts, which were introduced in the period of the last three years. C. 3: In the Regional Court in Elbląg there have not been any 'written remarks' or other measures towards the president and deputy president. Naar het oordeel van de rechtbank is de beantwoording van de vragen onvolledig. De rechtbank acht het van belang om te worden voorgelicht over de aanleiding voor de disciplinaire procedure/tuchtzaak tegen de voormalig voorzitter van de rechtbank en – voor zover de procedure reeds is afgerond – de uitkomst van deze procedure. Verder zijn er geen antwoorden op de vragen inzake de Poolse rechtstaat ontvangen die zien op de gerechtelijke instantie die in hoger beroep bevoegd was. Dit leidt tot het volgende oordeel. 6.3. Conclusie Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, namelijk: Ten aanzien van the Regional Court in Elbląg: In de brief van 23 september 2019 van the Regional Court in Elbląg wordt onder punt IIII een disciplinaire procedure/tuchtzaak tegen de voormalig voorzitter van de rechtbank benoemd. De rechtbank acht het van belang dat zij wordt voorgelicht over de aanleiding voor deze procedure – en voor zover de procedure is afgerond – de uitkomst hiervan. Ten aanzien van de gerechtelijke instantie die in hoger beroep over de strafzaak betreffende de opgeëiste persoon heeft geoordeeld: 1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst? 2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden? 3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding? De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarbij, om de vragen door te geleiden naar een bevoegd(
  2. e)persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is. 7Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen; BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon; BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Aldus gedaan door mr. C.A. van Dijk, voorzitter, mrs. N.M. van Waterschoot en V.V. Essenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 oktober 2019. De oudste en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Hof van Justitie van de Europese Unie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas). Rechtbank Amsterdam 28 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4868. Rechtbank Amsterdam 16 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5925 Hof van Justitie van de Europese Unie 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:586 Rechtbank Amsterdam 18 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:393. Rechtbank Amsterdam 27 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7161.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.