RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751947-18 RK nummer: 18/7600 Datum uitspraak: 5 november 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2018 door de 2nd Penal Division of the Regional Court in Elbląg (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982, verblijvend op het adres [verblijfadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 4 januari 2019 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak 18 januari 2019 Bij tussenuitspraak van 18 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:393) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst voor het stellen van vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Zitting 14 maart 2019 De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet ter zitting van 14 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Met instemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank beslist dat het onderzoek ter zitting op 19 maart 2019 zal worden gesloten. Op 18 maart 2019 heeft de rechtbank de officier van justitie en de raadsman meegedeeld dat zij meer tijd nodig heeft om tot een beslissing in de onderhavige zaak te komen. Zitting 16 april 2019 De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting op 16 april 2019 gesloten en direct uitspraak gedaan. Tussenuitspraak 16 april 2019 Bij tussenuitspraak van 16 april 2019 (niet gepubliceerd) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om (opnieuw) vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Zitting 22 oktober 2019 De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 22 oktober 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is – ondanks een correcte betekening van de oproeping – niet ter zitting verschenen. Zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak van 18 januari 2019 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 18 januari 2019 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld, alsmede de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen (r.o. 3, 4 en 5) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 4.1. Inleiding De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, zoals opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (hierna: het arrest). In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld: dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen; dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast; dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen; dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in die zaak een aantal vragen geformuleerd en heeft zij de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. Bij voornoemde tussenuitspraak van 18 januari 2019 heeft de rechtbank beslist dat deze vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moesten worden voorgelegd, ook al ziet onderhavig overleveringsverzoek, anders dan voornoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018, op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die op 13 februari 2018 door the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division is opgelegd. Op 12 februari 2019 zijn deze vragen beantwoord door the Judge of the District Court in Ostróda. Bij voornoemde tussenuitspraak van 16 april 2019 heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te heropenen en the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division te verzoeken de vragen C1 en C3, te weten: C1 Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen, voorafgaand aan (het vonnis
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.