← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:8401

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/5348 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2019 in de zaak tussen [eiser] , te Krakow (Polen), eiser (gemachtigde: mr. T. Kocabas), en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. M. van Nederveen) Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van eiser met ingang van 10 oktober 2016 beëindigd. Bij besluit van 16 februari 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder de WW-uitkering van eiser met ingang van 1 oktober 2016 herzien en een bedrag van € 28.724,32 teruggevorderd aan te veel betaalde uitkering over de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 december

  1. Bij besluit van 22 februari 2018 (het primaire besluit III) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 5.467,-. Bij besluit van 25 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit III gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit III herroepen en beslist dat de boete wordt vastgesteld op een bedrag van € 873,
  2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober
  3. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder is verschenen E. Wojcicka (tolk in de Poolse taal). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek gesloten. Overwegingen Wat voorafging aan deze procedure
  4. Aan eiser is met ingang van 3 oktober 2016 een WW-uitkering toegekend met einddatum 2 januari
  5. Per 1 mei 2017 is de uitkering stopgezet, omdat eiser zonder geldige reden op twee controlegesprekken niet was verschenen (de controlegesprekken waren gepland op 11 en 20 april 2017). Eiser moest voor 22 mei 2017 een nieuwe afspraak maken, maar dit heeft hij niet gedaan. Bij beslissing van 19 juni 2017 is eisers WW-uitkering weer hervat.
  6. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld naar eisers aanwezigheid in Nederland en in het buitenland en komt, kort samengevat, tot de conclusie dat eiser van 3 oktober 2016 tot 7 augustus 2017 in het buitenland was, behalve een paar dagen in november 2016, januari en juni
  7. Dit heeft hij nooit gemeld. Verweerder heeft hierna de primaire besluiten genomen. Standpunt eiser
  8. Eiser voert samengevat aan dat hij onafgebroken woonachtig in Nederland was vanaf 10 oktober 2016 en dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij “vrijwel” onafgebroken in het buitenland verbleef vanaf 17 oktober 2016 tot en met 31 december
  9. Beoordeling 4.
  10. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting heeft verweerder een document overgelegd met een aantal data waarop eiser in voornoemde periode wél in Nederland heeft verbleven. Dit betekent dat de besluitvorming met betrekking tot de herziening en terugvordering van de WW-uitkering niet in stand kan blijven, nu over die data de WW-uitkering ten onrechte is herzien en teruggevorderd, aldus verweerder. 4.
  11. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen omdat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verder zal de rechtbank verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen over alle besluiten. Het is namelijk onduidelijk of de aangepaste herziening en terugvorderingsbesluiten gevolgen zullen hebben voor de andere besluiten.
  12. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is.
  13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
  14. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). De door eiser in bezwaar gemaakte proceskosten zijn reeds vergoed. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op8 november
  15. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.