vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/665397 / KG ZA 19-455 MDvH/MB Vonnis in kort geding van 11 november 2019 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser bij dagvaarding van 30 april 2019, advocaten mrs. J.A. Schaap en P. de Leeuwe te Amsterdam, tegen
(48)Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de lidstaten om van dienstverleners die door afnemers van hun dienst verstrekte informatie toegankelijk maken, te verlangen dat zij zich aan zorgvuldigheidsverplichtingen houden die redelijkerwijs van hen verwacht mogen worden en die bij nationale wet zijn vastgesteld, zulks om bepaalde soorten onwettige activiteiten op te sporen en te voorkomen.” 4.18. [eiser] heeft zijn vordering onder I na wijziging inmiddels beperkt tot het treffen van maatregelen (achteraf en preventief) met betrekking tot: “advertenties waarin de naam of het portret van [eiser] in de advertentie en/of de website waarnaar de advertentie doorklikt in verband wordt gebracht met Bitcoin of andere cryptovaluta”. Met het aanbrengen van deze beperking zijn de gevraagde maatregelen zo specifiek en toegespitst op het onderhavige geval, dat deze niet zijn aan te merken als ‘toezichtverplichtingen van algemene aard’ waar het verbod uit de Richtlijn op ziet. Het daarop gerichte verweer van Facebook faalt dus. 4.19. Anders dan Facebook heeft betoogd, staat het bepaalde in artikel 10 EVRM, het recht op informatie- en uitingsvrijheid, aan de gevorderde maatregelen evenmin in de weg. Het gaat hier niet om de beperking van de uitingsvrijheid van een natuurlijk persoon, of om het recht om vrijelijk te worden geïnformeerd, maar om uitingen gericht op commercieel gewin, vermoedelijk mede omvattend strafbare feiten, namelijk oplichtingspraktijken. Voor zover hier nog enige ‘uitingsvrijheid’ in het geding is, biedt artikel 6:162 BW een voldoende wettelijke basis om die te beperken. De omstandigheid dat [eiser] een publiek figuur is die, in de regel, als het gaat om kritische uitingen, meer te dulden heeft dan een doorsnee burger, doet in dit verband niet ter zake. Van ‘kritische uitingen’ is in dit geval immers geen sprake. Ten slotte wordt de kans dat door een filtergebod, zoals gevorderd na het beperken van de vordering, bij toewijzing, aan Facebookgebruikers de toegang tot legitieme informatie wordt ontzegd, verwaarloosbaar geacht. Mocht dit toch het geval zijn, dan weegt dit geringe risico in elk geval niet op tegen de noodzaak tot het treffen van maatregelen. Op dit punt zal hierna, bij de bespreking van de afzonderlijke vorderingen onder 4.26 en verder nader worden ingegaan. 4.20. Ook artikel 52 EU Handvest, de vrijheid van onderneming, is geen grond voor afwijzing van het gevorderde onder I. Door de beperking van de vordering tot zeer specifieke advertenties, die bovendien naar het zich laat aanzien steeds geen rechtmatige ondernemersactiviteiten betreffen, is de inbreuk op de ondernemersvrijheid van Facebook bij een toewijzing van beperkte aard. Ook in dit verband geldt bovendien, voor zover nodig, dat artikel 6:162 kan worden aangemerkt als een voldoende wettelijke basis voor het gevraagde ingrijpen. 3Technisch onmogelijk? (“kan niet”) 4.21. Facebook heeft verder aangevoerd dat de gevorderde maatregelen moeten worden afgewezen, omdat zij al alles doet wat van haar kan worden gevergd en hetgeen [eiser] vraagt niet mogelijk, althans niet effectief zou (kunnen) zijn. 4.22. De stelling van Facebook dat haar screeningsproces niet te allen tijde alle overtredingen van het advertentiebeleid kan opsporen, laat staan voorkomen, kan niet bij voorbaat als onjuist worden bestempeld. De door haar aangehaalde publicaties in de pers wijzen ook in die richting. Dit hoeft echter aan toewijzing van de vordering onder I niet in de weg te staan. [eiser] heeft in dit verband terecht aangevoerd dat voor het opleggen van een maatregel niet is vereist dat 100% effectiviteit op voorhand vaststaat. Bovendien is geen vereiste dat een rechterlijk bevel exact preciseert welke maatregelen de tussenpersoon moet nemen. Het gebod kan een bevel inhouden tot het staken van (het bieden van toegang tot) onrechtmatige uitingen. Het is uiteindelijk, indiennodig, aan de tussenpersoon om aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om inbreuken via zijn platformen te verhinderen of ernstig te ontmoedigen (vgl. HvJEU, 27 maart 2014, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel/ [naam uitspraak] )). 4.23. Facebook heeft, zoals hiervoor overwogen, erop gewezen dat zij al tal van maatregelen treft. Zo hanteert zij een zogenoemd ‘ad review’ systeem, waarbij schending van het advertentiebeleid (ook handmatig) wordt gecheckt; worden advertenties na rapportage door gebruikers reactief beoordeeld; worden ‘bad actors’ gebannen, door middel van (
- a)‘ban hammers’, dat wil zeggen dat een adverteerder geen toegang meer heeft tot het platform, en (
- b)het ‘Sparse model’, waarmee eigenschappen van advertenties om advertentie-accounts die mogelijk zijn geassocieerd met reeds geïdentificeerde ‘bad actors’ worden gedetecteerd; en is zij actief om haar opsporings- en banmethoden uit te breiden. Aldus worden volgens Facebook wekelijks miljoenen advertenties op haar platform geweigerd of verwijderd. 4.24. Op zichzelf is het te waarderen dat Facebook de door haar genoemde maatregelen neemt. Deze maatregelen zijn echter klaarblijkelijk vooralsnog niet afdoende. De nepadvertenties met [eiser] en andere bekende Nederlanders zijn er immers doorheen geglipt en doen dat nog steeds, in ieder geval waar het advertenties met andere bekende Nederlanders dan [eiser] betreft. Gelet op de verantwoordelijkheid van Facebook voor haar eigen advertentieplatform en de impact van de onrechtmatige advertenties, mag op dit gebied, op grond van de door haar in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid, het nodige van Facebook worden verwacht, ook als het gaat om maatregelen die technisch ingewikkeld zijn en (extra) inspanningen, inzet van mankracht en geld kosten. Gelet op de door [eiser] vermelde verklaringen van een medewerker van Facebook zelf – waarin deze onder meer meedeelt dat de controle “limited” is en “not designed to detect all policy violations” – kan worden aangenomen dat meer maatregelen kunnen worden getroffen dan thans gebeurt. 4.25. Bovendien heeft het er alle schijn van dat, als het erop aankomt, Facebook wel in staat is om aanvullende maatregelen te treffen. Opvallend is in dit verband dat (alleen) de nepadvertenties met [eiser] sinds de aankondiging van dit kort geding nauwelijks meer lijken voor te komen. Nu Facebook niet bereid is geweest om toezeggingen aan [eiser] te doen zich in elk geval tot het uiterste te zullen inspannen om de nepadvertenties met zijn naam en/of portret te voorkomen, is de vordering onder I, op grond van het hiervoor overwogene, in beginsel toewijsbaar. De afzonderlijke vorderingen Vordering I 4.26. [eiser] heeft de vordering onder I aldus nader gepreciseerd dat hij thans (slechts) vordert dat Facebook alle redelijke maatregelen treft om alle advertenties te filteren met de naam [eiser] en/of zijn portret waarin wordt gerefereerd aan Bitcoin of andere cryptovaluta. Facebook heeft nog aangevoerd dat niet duidelijk is wat onder ‘advertentie’ moet worden verstaan. Duidelijk is dat het moet gaan om een commerciële uiting, dat wil zeggen dat de uitlating wordt aangeboden als advertentie. Het risico dat daarmee ook berichten zouden worden tegengehouden die niet vallen onder de nepadvertenties als bedoeld onder 2.7 is, anders dan Facebook betoogt, verwaarloosbaar. [eiser] heeft verklaard hoe dan ook niks te maken te (willen) hebben met cryptovaluta. De kans dat er een bericht in de vorm van een advertentie zou kunnen verschijnen over een congres waar [eiser] spreekt en waar (door een ander) ook over Bitcoin of andere cryptocurrency wordt gesproken – dat Facebook noemt als voorbeeld van een ongewenst neveneffect van een mogelijke veroordeling – is dan ook vooral theoretisch. Daarbij komt dat een dergelijk ongewenst effect, als dat zich zou voordoen, weer ongedaan kan worden gemaakt. Het risico van een eventueel ongewenst overblokkeren van legitieme advertenties weegt dan ook niet op tegen de ernst van het probleem van de nepadvertenties en de noodzaak daartegen maatregelen te nemen. 4.27. Facebook heeft verder nog gewezen op het probleem van ‘cloaking’, wat het tegengaan van nepadvertenties zou bemoeilijken, zo niet onmogelijk maken. Cloaking betekent letterlijk: ‘in een mantel hullen’. Cloak is het Engelse woord voor ‘dekmantel’. Het begrip wordt gebruikt voor pagina's die aan zoekmachines een andere inhoud voorschotelen dan die welke de bezoekers te zien krijgen. Volgens Facebook is dat bij de nepadvertenties ook vaak het geval: de advertentie/ website die oproept geld te investeren in Bitcoins (de ‘landing page’) zit in de regel ‘achter’ de advertentie die in eerste instantie zichtbaar is. De adverteerders – of beter, de oplichters achter de advertenties – worden volgens Facebook steeds geraffineerder in het omzeilen van controletechnieken. 4.28. Ook hier heeft Facebook mogelijk een punt. Dit is echter onvoldoende om de vordering af te wijzen. Facebook zal alles moeten doen wat in haar vermogen ligt om de advertenties te weren en te voorkomen dat deze weer opduiken. Als Facebook dat doet en aannemelijk maakt dat te hebben gedaan, zal zij niet zonder meer een dwangsom verbeuren. Immers, indien in dat geval toch (weer) een advertentie opduikt op haar platform, die vanwege technische vernuftigheden niet op voorhand kon worden opgespoord – wat Facebook dan óók aannemelijk moet maken – en zij die advertentie, na kennisneming, prompt verwijdert, heeft zij voldoende aan een op te leggen veroordeling voldaan en verbeurt zij geen dwangsom. Daar komt bij dat het op haar weg ligt om ook maatregelen te treffen tegen het omzeilen van haar beleid, ook als dat technisch niet eenvoudig ligt. 4.29. Van schending van het proportionaliteits- of subsidiariteitsbeginsel is bij toewijzing van vordering I geen sprake. Met de aangebrachte aanpassingen moet de impact van de gevraagde maatregelen voor Facebook te overzien zijn, terwijl de ernst van het probleem en de omvang van de schade aanzienlijk zijn (proportionaliteit). Facebook heeft er nog op gewezen dat [eiser] ook aangifte kan doen bij politie en justitie, maar voorshands valt niet te verwachten dat dit op afzienbare termijn tot het door [eiser] gewenste effect zal leiden, nu [eiser] onweersproken heeft gesteld dat aan dit soort aangiften vooralsnog geen prioriteit wordt gegeven door politie en het Openbaar Ministerie (subsidiariteit). 4.30. Het voorgaande leidt, alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, tot de slotsom dat de vordering onder I zal worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing vermeld, met (gedeeltelijke) matiging en maximering van de gevorderde dwangsommen. Daarbij geldt uiteraard dat geen dwangsommen worden verbeurd indien het onredelijk zou zijn van Facebook meer inspanningen en zorgvuldigheid te vergen dan zij heeft betracht, zoals overigens ook [eiser] erkent (zie hiervoor onder 3.2). 4.31. Mede tegen die achtergrond wordt het gebod ook toegewezen jegens Facebook Netherlands. Vooralsnog bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat Facebook Netherlands hierin geen enkele rol zou kunnen spelen. 4.32. Ten slotte ligt het op de weg van Facebook om methodes te hanteren waarmee zij aan de veroordeling kan voldoen. Of het mogelijk is daarbij ‘gezichtsherkenning’ te gebruiken, waarover partijen ter zitting ook nog hebben gedebatteerd, is een vraag die thans geen beantwoording behoeft. Vordering II 4.33. Tegen het verstrekken van de gevorderde identificerende gegevens, zoals uiteindelijk ingekaderd, heeft Facebook op zichzelf geen bezwaar, met dien verstande dat volgens haar niet zij, maar de rechter de afweging moet maken of daartoe moet worden overgegaan. 4.34. Als uitgangspunt bij die afweging kunnen de door het Hof Amsterdam in zijn (door de Hoge Raad bekrachtigde) arrest van 24 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2005: AU4019 ( [naam arrest] )) geformuleerde maatstaven worden genomen. In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat een verplichting voor de dienstverlener tot afgifte van dergelijke gegevens aan een derde gerechtvaardigd kan zijn, als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de mogelijkheid dat de informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde onrechtmatig en schadelijk is, is voldoende aannemelijk; b. de derde heeft een reëel belang bij de verkrijging van de gegevens; c. aannemelijk is dat er in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de gegevens te achterhalen; d. afweging van de betrokken belangen van de derde en de internetdienstverlener brengt mee dat het belang van de derde behoort te prevaleren. Aan deze voorwaarden is, zoals voortvloeit uit het hiervoor overwogene, in dit geval voldaan. Ook artikel 6 lid 1 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming biedt ruimte voor het verstrekken van die gegevens en voor het overige zijn er in dit concrete geval geen aanknopingspunten op grond waarvan die vordering zou moeten worden afgewezen. 4.35. Ook de vordering onder II zal daarom worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing vermeld, met matiging en maximering van de gevorderde dwangsommen. Vordering III 4.36. Met betrekking tot de vordering onder III heeft Facebook aangevoerd dat deze moet worden afgewezen, aangezien het hier gevorderde gebod te verstrekkend is. Facebook heeft alle adverteerders van advertenties door [eiser] overgelegd als producties 1A en 1B reeds geblokkeerd voor het advertentieplatform. Facebook wordt hierin gevolgd. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat geen advertenties meer verschijnen waarin zijn naam/portret wordt misbruikt. Hoe Facebook dat bewerkstelligt en welke blokkades zij vervolgens toepast, is in beginsel aan haar. Niet valt in te zien welk belang [eiser] heeft bij deze aanvullende, verstrekkende, vordering. Tegen deze achtergrond zal het gevorderde onder III worden afgewezen. 4.37. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt Facebook veroordeeld in de proceskosten. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. gebiedt Facebook om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis ieder onrechtmatig handelen jegens [eiser] zoals in de dagvaarding omschreven, dat wil zeggen: toestaan dat op haar fora Facebook en Instagram advertenties waarin de naam of het portret van [eiser] in de advertentie en/of de website waarnaar de advertentie doorklikt in verband wordt gebracht met Bitcoin of andere cryptovaluta, te staken en gestaakt te houden, 5.2. bepaalt dat Facebook een dwangsom verbeurt van € 10.000,- voor iedere dag (etmaal) dat zij nalaat om aan het onder 5.1 genoemde gebod te voldoen, met een maximum van € 1.000.000,-, 5.3. gebiedt Facebook Ireland om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, gebruiksgegevens en betaalgegevens behorend bij de Betaal Account ID’s, zoals door Facebook Ireland geïdentificeerd op basis van productie 1A en 1B van [eiser] , voor zover Facebook Ireland daarover beschikt, aan [eiser] te verstrekken, 5.4. bepaalt dat Facebook een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor iedere dag (etmaal) dat zij nalaat om aan het onder 5.3 genoemde gebod te voldoen, met een maximum van € 100.000,-, 5.5. veroordeelt Facebook in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op: € 99,01 aan explootkosten, € 297,- aan griffierecht en € 1.470,-aan salaris advocaat, 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2019. type: MB coll: MvG