RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/650532-17 (Promis) Datum uitspraak: 12 november 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres verdachte] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8, 9 en 10 oktober 2019 (inhoudelijke behandeling) en 12 november 2019 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting). Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mrs. M.D. Braber en W.J. de Graaf, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.C. Polat naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt verweten dat hij zich – met anderen – heeft schuldig gemaakt aan het op grote schaal verkopen van cocaïne aan particulieren. In een groep zou over een lange periode cocaïne geleverd zijn vanuit auto’s aan kopers. Sommigen uit de groep waren koerier en anderen namen telefonisch de bestelling aan. Verdachte zou koerier zijn geweest en een uitvoerende rol hebben gehad in het geheel. Tevens is de verdenking dat verdachte ruim 400 gram hasj in bezit heeft gehad. Op de tenlastelegging staan – samengevat – de volgende strafbare feiten: 1. deelname aan een criminele organisatie; 2. de handel in cocaïne; 3. het aanwezig hebben van 49,69 en 370 gram hasj; 4. het witwassen van 3.600 euro, 6.610 euro en sieraden, subsidiair ten laste gelegd als eenvoudig witwassen. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich – onder verwijzing naar zijn pleitnota – op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Kort samengevat heeft de raadsman aangevoerd dat de kopers van verdovende middelen zonder processuele waarborgen een verklaring hebben afgelegd als getuige, terwijl zij later een sepotbrief hebben ontvangen en dus kennelijk tevens verdachte waren. De status van de afnemers is daarmee onduidelijk geweest en zij zijn niet gewezen op de rechten die een verdachte toekomen. Dergelijk handelen is een vormverzuim en levert een directe schending op van het recht op een eerlijk proces in de zaak van verdachte. De Schutznorm wordt doorbroken, waarbij wordt verwezen naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 september 2018 (Ömer Güner/Turkije). Er is doelbewust en op grote schaal getracht om bewijs te verzamelen tegen verdachte. De wijze waarop de getuigen in het onderzoek zijn verhoord is in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het Openbaar Ministerie heeft daarmee doelbewust en met grove veronachtzaming de belangen van de afnemers, maar ook van verdachte, te weten het recht op een eerlijk proces, tekort gedaan (Zwolsman-criterium). In aansluiting bij het pleidooi van de raadsman van een medeverdachte, voert de raadsman van verdachte ook aan dat het handelen van het Openbaar Ministerie een fundamentele inbreuk maakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor het wettelijke systeem in de kern is geraakt (Karman-criterium). 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een vormverzuim en het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Kort samengevat heeft officier van justitie naar voren gebracht dat het gebruikelijk is dat kopers worden gehoord als getuige. De kopers in deze zaak hebben nooit de status van verdachte gehad. Ten tijde van de verhoren is duidelijk tegen afnemers gezegd dat zij als getuige worden gehoord. Nadat bij de verhoren bij de rechter-commissaris discussie is ontstaan, is besloten om sepotbrieven te versturen om deze discussie bij de overige getuigenverhoren te voorkomen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de kopers op enig moment zelf verdachte zijn geweest. Een getuige hoeft niet te worden gewezen op consultatiebijstand en zijn verschoningsrecht. Nu de afnemers als getuige konden worden gehoord, is geen sprake van een vormverzuim. Indien de rechtbank wel van oordeel is dat sprake is van een vormverzuim wordt de Schutznorm niet doorbroken. De door de verdediging aangehaalde jurisprudentie is immers niet van toepassing. 3.3. Het oordeel van de rechtbank Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie Indien in het voorbereidend onderzoek sprake is van een onherstelbaar vormverzuim kan dat op grond van artikel 359a Sv leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie komt slechts in uitzonderlijke gevallen als rechtsgevolg in aanmerking. Het vormverzuim moet dan daarin hebben bestaan dat de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (het Zwolsman-criterium: Hoge Raad, 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533). Daarnaast kan in een zeer uitzonderlijk geval de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden aangenomen zonder dat de belangen van verdachte zijn geschonden. Het gaat dan om gevallen van zeer fundamentele inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij de belangen van verdachte weliswaar niet zijn geschaad, maar het wettelijke systeem in de kern is geraakt (het Karman-criterium: Hoge Raad, 1 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1143). Door de raadsman is onder verwijzing naar een aantal omstandigheden een beroep gedaan op bovengenoemde criteria. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat hij als zaaksofficier van justitie direct de beslissing heeft genomen dat de kopers als getuige en niet als verdachte zouden worden gehoord. Uit de verhoren die bij de politie zijn afgenomen blijkt ook niet dat onduidelijkheid bestaat over de status van de verhoorde personen. In de processen-verbaal is immers opgenomen dat zij als getuige worden verhoord. De kopers zijn uitgegaan van een status als getuige en hebben in die hoedanigheid een verklaring afgelegd. Wanneer de eerste getuigen bij de rechter-commissaris worden gehoord ontstaat – na vragen van de raadslieden over de mogelijkheid dat zij als verdachte hebben te gelden en vragen van de rechter-commissaris over een hen eventueel toekomend verschoningsrecht – voor het eerst onduidelijkheid over de vraag of zij als getuigen of als verdachten zijn aangemerkt. De officier van justitie heeft in zijn repliek uitgelegd dat naar aanleiding van de discussie bij de eerste getuigenverhoren bij de rechter-commissaris vervolgens sepotbrieven zijn verstuurd naar de overige getuigen. De achterliggende gedachte van de sepotbrieven was om de discussie bij de rechter-commissaris voor genoemde getuigen te voorkomen. De sepotbrieven zijn verstuurd ter verduidelijking, aldus de officier van justitie. De rechtbank stelt vast dat het versturen van de brieven onhandig is geweest en juist meer onduidelijkheid heeft veroorzaakt, maar acht de uitleg van de officier van justitie voldoende om aan te nemen dat de gehoorde kopers altijd de status van getuige hebben gehad. Uit de verhoren bij de rechter-commissaris blijkt dat de kopers daar zelf ook vanuit gingen. De rechtbank concludeert daaruit dat bij de politieverhoren geen verplichting bestond om de kopers te wijzen op het recht op consultatiebijstand en het verschoningsrecht en dit dus ook niet doelbewust is nagelaten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Het Openbaar Ministerie is daarmee ontvankelijk in de vervolging van verdachte en het verweer van de raadsman wordt verworpen. Conclusie voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het schriftelijke requisitoir – op het standpunt gesteld dat de deelname aan een criminele organisatie (feit 1), de handel in cocaïne (feit 2) en het aanwezig hebben van verdovende middelen (feit 3) wettig en overtuigend bewezen kan worden. Voor het witwassen (feit 4) is vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft ten aanzien van de handel in cocaïne gewezen op de taps die zijn aangesloten op de dealtelefoon, de observaties, de onderlinge contacten tussen de verdachten en de verklaringen van de getuigen. Verdachte heeft, ondanks dat de feiten en omstandigheden uit het dossier daar aanleiding toe geven, nagelaten om een verklaring te geven. Uit de handelingen rondom de handel in cocaïne volgt een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad, waarbij de verdachten het oogmerk hadden op het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. De rol van verdachte binnen de organisatie was koerier. Niet is gebleken dat het oogmerk eveneens is gericht op de voorbereidingshandelingen en om die reden wordt voor dat onderdeel vrijspraak gevorderd.Daarnaast is in de woning van verdachte een hoeveelheid van 419,69 gram hasj aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat de hasj van hem is, maar dat het bestemd is voor eigen gebruik. Gelet op de hoeveelheid en de waarde acht de officier van justitie dat onaannemelijk, maar het aanwezig hebben van de hasj kan hoe dan ook worden bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar zijn pleitnota – op het standpunt gesteld dat verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van de deelname aan een criminele organisatie (feit 1), de handel in cocaïne (feit 2) en het witwassen (feit 3). Ten aanzien van het aanwezig hebben van verdovende middelen (feit 4) wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de gang van zaken met betrekking tot de getuigenverhoren (zoals reeds ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is aangevoerd) dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de getuigenverklaringen en alle informatie die naar aanleiding van die verklaringen is verkregen. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen is door de handelswijze van de politie wezenlijk beïnvloed. Zonder de verklaringen blijft een leeg omhulsel over voor de feiten 1 en 2, nu de tapgesprekken en observaties geen invulling kunnen krijgen met de verklaringen van de afnemers. Zonder bewijs voor de handel in verdovende middelen kan eveneens de deelname aan de criminele organisatie niet bewezen worden. Voor feit 1 is nog specifiek bepleit dat het medeplegen van de handel in cocaïne niet automatisch deelname aan de criminele organisatie inhoudt en verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Indien de verweren worden verworpen, kan voor deze feiten 1 en 2 slechts een bewezenverklaring volgen voor de periode augustus 2017 tot en met november 2017. Voor een langere periode bevat het dossier onvoldoende bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Bewijsverweer: bewijsuitsluiting Het verweer van de raadsman, inhoudende dat bewijsuitsluiting moet volgen (in verband met een onherstelbaar vormverzuim op grond van artikel 359a Sv), wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt hierover het volgende. De raadsman heeft met betrekking tot zijn verweer tot bewijsuitsluiting onder meer gewezen op de omstandigheden die zijn aangevoerd in het kader van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft in paragraaf 3.3 geoordeeld dat geen sprake is van een vormverzuim en verwijst in het kader van het verweer van de bewijsuitsluiting naar die beslissing zodat het hier geen verdere bespreking behoeft. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat – door wijze waarop de politie heeft gehandeld, te weten het uitoefenen van ongeoorloofde druk op de getuigen en het gebruik maken van een enkelvoudige fotoconfrontatie – bewijsuitsluiting dient te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de processen-verbaal van verhoor bij de politie en de rechter-commissaris niet dat sprake is geweest van een werkwijze van de politie waarbij een ongeoorloofde druk op de getuigen is uitgevoerd. Een aantal getuigen hebben weliswaar (op vragen van de verdediging) bij de rechter-commissaris naar voren gebracht dat zij zijn geschrokken, zich overvallen voelden en de verhoren als minder prettig hebben ervaren, maar dat is op zichzelf niet voldoende voor het oordeel dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld. In zijn algemeenheid merkt de rechtbank op dat het voor gebruikers van cocaïne vervelend kan zijn als zij verklaringen moeten afleggen aan de politie. De getuigen verklaren bij de rechter-commissaris echter niet dat zij door de wijze van verhoren verklaringen hebben afgelegd die niet overeenkomen met de waarheid. Het overgrote deel van de getuigen herhaald bij de rechter-commissaris hetgeen eerder bij de politie is verklaard. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de eerdere verklaringen naar waarheid zijn afgelegd. De rechtbank is uitgaande van de verklaringen van de getuigen bij de politie en de rechter-commissaris dan ook van oordeel dat de verbalisanten hebben gehandeld binnen hun strafvorderlijke bevoegdheid en dat daarbij geen ongeoorloofde druk is uitgeoefend. De verklaringen zijn betrouwbaar en de inhoud daarvan kan voor het bewijs worden gebezigd. Met betrekking tot de enkelvoudige fotoconfrontatie stelt de rechtbank voorop dat er geen rechtsregel aan in de weg staat om gebruik te maken van de verklaring van een getuige die de dader zegt te herkennen op een hem bij een enkelvoudige fotoconfrontatie getoonde foto. Hierbij geldt echter wel als uitgangspunt dat in beginsel terughoudend moet worden omgegaan met de waardering van een herkenning op grond van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Aan een dergelijke herkenning kan immers niet altijd de betrouwbaarheid worden toegekend die toegeschreven mag worden aan de resultaten van een door de politie gehanteerde en volgens strikte voorwaarden uitgevoerde meervoudige fotoherkenning. Dit betekent echter niet dat een herkenning op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie in zijn algemeenheid dusdanig onbetrouwbaar is dat het hanteren van die methode hoe dan ook moet leiden tot uitsluiting van het daarmee verkregen bewijs. 4.3.2 Deelname criminele organisatie en de handel in cocaïne (feit 1 en 2) Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Via Meld Misdaad Anoniem komt een melding binnen dat via het telefoonnummer [telefoonnummer] (verder # [telefoonnummer] ) cocaïne kan worden besteld, waarna de kopers door een auto worden opgepikt en na een kort stukje rijden weer uitstappen. Uit een technische actie, aangesloten op het nummer # [telefoonnummer] op 20 september 2017, blijkt dat het nummer wordt gebruikt voor korte gesprekken waarbij locaties en tijdsindicaties worden doorgegeven en de kopers te horen krijgen naar welke auto zij moeten uitkijken voor de bestelling. Naar aanleiding van de technische actie vinden diverse observaties plaats waarbij afspraken met kopers worden waargenomen. Bij de observatie van 21 september 2017 worden een Skoda Octavia met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Skoda) op naam van [verdachte] en een Opel Zafira met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Opel) op naam van [medeverdachte 1] waargenomen. [verdachte] wordt tijdens die observatie herkend. Tijdens een observatie op 22 september 2017 wordt, naast de Skoda en de Opel, een Citroën C4 met kenteken [kenteken 3] (hierna: de Citroën) gezien, waarvan op grond van boetes en een getuigenverklaring [medeverdachte 4] als gebruiker wordt aangewezen. Tijdens een observatie op 23 september 2017 worden de voertuigen wederom waargenomen en stappen personen in de voertuigen om kort erna weer uit te stappen. Bij die observatie wordt getuige [getuige 2] als koper herkend. [medeverdachte 4] wordt herkend als bestuurder van de Citroën. Op 29 september 2017 worden afspraken in de Skoda Octavia gezien. Op 2 oktober 2017 worden afspraken gezien waarbij [medeverdachte 1] als bestuurder van de Opel en [medeverdachte 4] als bestuurder van de Citroën zijn herkend. Op 3 oktober 2017 wordt waargenomen dat een persoon in- en uitstapt bij [medeverdachte 4] , deze persoon wordt later herkend als getuige [getuige 3] . En ook op 15 november 2017 hebben er naar aanleiding van de technisch actie op nummer # [telefoonnummer] observaties plaatsgevonden waarbij is waargenomen dat personen in de Opel bij [medeverdachte 1] of in de Skoda bij een persoon die lijkt op [verdachte] instappen en korte tijd later weer uitstapen.Getuige [getuige 4] verklaart dat hij cocaïne bestelde via het telefoonnummer # [telefoonnummer] . [getuige 4] herkent [medeverdachte 2] als de persoon waarbij hij bestelde en [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] als bestuurders van de Skoda, Opel en Citroën, die de drugs kwamen brengen. Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 4] bij politie naar waarheid te hebben verklaard. Getuige [getuige 3] verklaart dat hij al jaren bijna dagelijks cocaïne bestelde. De persoon die je belde was een ander dan de persoon die de drugs kwam brengen. [getuige 3] herkent [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] als koeriers en herkent de stem van [medeverdachte 2] als de persoon die de dealtelefoon aannam. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 3] gezegd dat zijn eerdere verklaringen kloppen en noemt hij het telefoonnummer van de dealtelefoon spontaan op. Getuige [getuige 2] verklaart dat hij via het telefoonnummer # [telefoonnummer] cocaïne bestelde. De persoon die belde kwam de drugs niet brengen. Je stapte in de auto en reed een klein stukje mee voor de koop. [getuige 2] herkent de stem van [medeverdachte 2] van de persoon die de telefoon opnam en [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] als koerier. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] gezegd dat zijn verklaring en herkenningen kloppen. De dealtelefoon is op 13 oktober 2017 gelokaliseerd in de directe omgeving van de woning en auto van [medeverdachte 2] . Op 18 oktober 2017 is de dealtelefoon gelokaliseerd in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 3] . Uit een observatie en telecomgegevens volgt dat de dealtelefoon op 18 oktober 2017 door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] wordt overgedragen. Op 31 oktober 2017 wordt [medeverdachte 3] geobserveerd en wordt gezien dat hij gebruik maak van een telefoon op hetzelfde tijdstip als dat de dealtelefoon actief was. Op 1 november 2017 vindt eveneens een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] waarbij een overdracht plaatsvindt. De dealtelefoon (# [telefoonnummer] ) was in de onderzochte periode van zondag tot woensdag bij [medeverdachte 3] en van woensdag tot zondag bij [medeverdachte 2] . Uit onderzoek naar de stemmen op de dealtelefoon blijkt dat het veel waarschijnlijker is dat de stem van [medeverdachte 2] is te horen, dan de stem van een ander persoon.In een woning aan de [adres 1] is een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. De dealtelefoon peilde in de periode 20 september 2017 tot 2 november 2017 geregeld uit in de omgeving van de woning. Bij [medeverdachte 2] is een sleutel van de woning aangetroffen.Uit technisch onderzoek is het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (# [telefoonnummer 2] ) naar voren gekomen als aanstuurlijn en gekoppeld aan [medeverdachte 2] . De aanstuurlijn (# [telefoonnummer 2] ) had veel contact met een telefoonnummer gekoppeld aan [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 3] ). De beide nummers hadden veel contact met telefoonnummers gekoppeld aan [medeverdachte 4] ( [telefoonnummer 4] ), [verdachte] ( [telefoonnummer 5] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 6] ). Onderling was er ook veel contact tussen al deze telefoonnummers. De telefoonnummers zijn gelijktijdig in gebruik genomen, te weten op 1 augustus 2017, met uitzondering van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 3] ) die op 9 augustus actief is geworden. Op grond van één volledig uitgewerkte week is vastgesteld dat daarin totaal 467 deals hebben plaatsvonden. De dealtelefoon is van 16 november 2017 niet meer bereikbaar.De dealtelefoon was voor potentiele kopers van verdovende middelen zeven dagen in de week bereikbaar. Van maandag tot donderdag was de dealtelefoon te bereiken van 11:00 uur tot 02:00 uur en van donderdag tot zondag van 11:00 uur tot 03:00 uur. Daarnaast blijkt uit de telecom-analyse dat de sprake was en vaste werk- en vrije dagen voor de betrokken personen en dat bij verhindering vervanging werd geregeld. Bewijsoverwegingen Herkenningen door getuigen [getuige 4] , [getuige 3] en [getuige 2] Anders dan de raadsman heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de herkenningen door getuigen [getuige 4] , [getuige 3] en [getuige 2] op grond van de aan hen getoonde foto van de verdachte. Getuige [getuige 4] vertelt dat er drie chauffeurs waren, waarvan één reed in een Opel, één in een Citroën C4 en één in een grijze Skoda taxi. Wanneer getuige [getuige 4] met de foto’s van de vijf verdachten in deze zaak wordt geconfronteerd, wijst hij uit zichzelf (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.