RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/650626-17 (Promis) Datum uitspraak: 12 november 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op 5 december 1979, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8, 9 en 10 oktober 2019 (inhoudelijke behandeling) en 12 november 2019 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting). Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mrs. M.D. Braber en W.J. de Graaf, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.J.M. van Roy naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt verweten dat hij zich – met anderen – schuldig heeft gemaakt aan het op grote schaal verkopen van cocaïne aan particulieren. In een groep zou over een lange periode cocaïne geleverd zijn vanuit auto’s aan kopers. Sommigen uit de groep waren koerier en anderen namen telefonisch de bestelling aan. Verdachte zou bestellingen aan hebben genomen en verder een aansturende rol hebben gehad in het geheel. Tevens is de verdenking dat verdachte drugs, een wapen, geld en sieraden in zijn bezit heeft gehad. Op de tenlastelegging staan – samengevat - de volgende strafbare feiten:
(0619636540)en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 5] ). Onderling was er ook veel contact tussen al deze telefoonnummers. De telefoonnummers zijn gelijktijdig in gebruik genomen, te weten op 1 augustus 2017, met uitzondering van het telefoonnummer van [medeverdachte 5] ( [telefoonnummer 3] ) die op 9 augustus 2017 actief is geworden. Op grond van één volledig uitgewerkte week is vastgesteld dat daarin totaal 467 deals hebben plaatsvonden. De dealtelefoon is van 16 november 2017 niet meer bereikbaar.De dealtelefoon was voor potentiele kopers van verdovende middelen zeven dagen in de week bereikbaar. Van maandag tot donderdag was de dealtelefoon te bereiken van 11:00 uur tot 02:00 uur en van donderdag tot zondag van 11:00 uur tot 03:00 uur. Daarnaast blijkt uit de telecom-analyse dat de sprake was en vaste werk- en vrije dagen voor de betrokken personen en dat bij verhindering vervanging werd geregeld. Bewijsoverwegingen Herkenning door getuige [getuige 3] Anders dan de raadsman heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de herkenning door getuige [getuige 3] op grond van de aan hem getoonde foto van de verdachte. Hierbij is van belang dat [getuige 3] heeft verklaard dat hij al zestien jaar geregeld cocaïne bestelt bij een persoon die hij kent als “ [bijnaam verdachte] ”, dat [bijnaam verdachte] in de eerste twee à drie jaar de drugs zelf kwam brengen en dat hij daarna alleen de telefoon opnam. Wanneer getuige [getuige 3] met de foto’s van de vijf verdachten in deze zaak wordt geconfronteerd, wijst hij uit zichzelf foto 5 aan als degene die hij kent als “ [bijnaam verdachte] ”. Bij de rechter-commissaris antwoordt getuige [getuige 3] op de vraag of hij zeker was van deze herkenning, dat hij hem destijds dacht te herkennen. Gelet op het frequente contact dat getuige [getuige 3] met “ [bijnaam verdachte] ” heeft gehad is zijn – stellige – herkenning van verdachte als “ [bijnaam verdachte] ” uit de aan hem getoonde foto’s van de verdachten in deze zaak, naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar genoeg om als bewijsmiddel te gebruiken. Stemherkenningen en NFI onderzoek De raadsman heeft verzocht om het NFI-rapport met betrekking tot het stemvergelijkend onderzoek niet voor het bewijs te gebruiken. De rechtbank stelt vast dat het dossier meerdere getuigenverklaringen bevat waaruit naar voren komt dat de stem van verdachte door hen wordt herkend. De verklaringen komen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] die beiden vaak cocaïne hebben besteld via de dealtelefoon. In samenhang met die verklaringen acht de rechtbank het NFI-rapport, waarin is geconcludeerd dat het veel waarschijnlijker is dat het vergeleken materiaal, bestaande uit een aantal getapte gesprekken die over de dealtelefoon zijn gevoerd met kopers, van verdachte afkomstig is dan van een ander, redengevend voor het bewijs. Criminele organisatie De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Om te kunnen spreken van een criminele organisatie moet er sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Voor de deelneming is van belang dat betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt met, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Deelneming impliceert opzet, dat wil zeggen dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , gericht op, kort gezegd, de handel in verdovende middelen. Zij hebben een gestructureerd samenwerkingsverband gevormd waarbij ieder een eigen aandeel heeft gehad en gedragingen heeft verricht die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een organisatie met een zekere structuur en duurzaamheid. De dealtelefoon was gedurende een langere periode zeven dagen in de week bereikbaar voor het bestellen van cocaïne. Daarbij kon vanaf 11:00 uur in de ochtend tot 02:00 of 03:00 uur in de nacht contact worden opgenomen voor een bestelling. Binnen de organisatie waren personen verantwoordelijk voor het aannemen van de dealtelefoon en het uitzetten van de bestellingen naar de koeriers. De koeriers gingen vervolgens naar de klant toe om de bestelling af te handelen. Uit het voorgaande blijkt evident dat sprake is geweest van een samenwerking die tot doel had om zoveel mogelijk deals in korte tijd te kunnen verwezenlijken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat eveneens sprake is geweest van een structuur met betrekking tot de werkdagen. Ieder deelnemer had vaste werkdagen en op het moment dat iemand op zijn werkdag verhinderd was, werd vervanging geregeld. Daaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een bedrijfsmatige organisatie. Het aandeel van verdachte is gelegen in het aannemen van de dealtelefoon en het aansturen van de koeriers. Daarnaast had verdachte de toegang tot een woning waarin grote hoeveelheden verdovende middelen zijn aangetroffen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat hij eveneens verantwoordelijk was voor de aanlevering van de verdovende middelen die via de dealtelefoon werden verkocht. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie welke gericht was op de handel in verdovende middelen. Pleegperiode De rechtbank overweegt, anders dan de officier van justitie, dat bij het vaststellen van de pleegperiode uit moet worden gegaan van het bewijs dat volgt uit de analyse van de dealtelefoon in combinatie met de aanstuurtelefoons en koeriertelefoons. De aan de verdachten gekoppelde telefoons zijn op 1 augustus 2017 in gebruik genomen (met uitzondering van de aan [medeverdachte 5] gekoppelde telefoon die op 9 augustus 2017 in gebruik is genomen). De dealtelefoon is tot en met 16 november 2017 actief geweest. Op grond daarvan zal de rechtbank de pleegperiode vaststellen op 1 augustus 2017 tot en met 16 november
- 4.3.3 Witwassen (feit 3) De rechtbank vindt – met de officier van justitie en de raadsman niet bewezen wat onder 3 (primair en subsidiair) is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4.3.4 Aanwezig hebben verdovende middelen en (vuur)wapens en munitie (feit 4, 5 en 6) Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Bij de aanhouding van [verdachte] op 23 januari 2018 is in de jas die hij wilde aantrekken een sleutelbos en een plastic tag aangetroffen die toegang geven tot de woning [adres] in Amsterdam en de parkeergarage die daarbij hoort. Tijdens de doorzoeking van de woning aan het [adres] op 24 januari 2018 zijn grote hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen. In een koffer, aangetroffen onder het balkon bij nummer 80, worden verdovende middelen, een vuurwapen en patroonhouders aangetroffen. De wapens zijn onderzocht en het gaat om een Glock machinepistool, meerdere Glock patroonhouders en 76 patronen munitie.De in de woning aangetroffen verdovende middelen zijn getest en het gaat om totaal ruim 13 kilo cocaïne, 6.111pillen MDMA, ruim 16.000 pillen die MDMA of mCPP bevatten en bijna 3 kilo hasj. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij wist dat er verdovende middelen in haar woning lagen. Ook heeft zij verklaard dat zij wist van de aanwezigheid van kogels. Zij heeft de spullen in haar woning bewaard voor een man. Alleen zijzelf en de man hadden een sleutel van de woning [adres] . De man zou de spullen komen halen en daarom heeft zij de spullen in een sporttas en koffer gedaan. De onder het balkon aangetroffen koffer heeft [medeverdachte 1] over het balkon gegooid.Tijdens een observatie op 25 oktober 2017 wordt gezien dat [verdachte] de parkeergarage [adres] uit komt rijden. Uit onderzoek naar de bij [verdachte] aangetroffen tag van de garage [adres] blijkt dat deze ongeveer om de twee tot drie dagen wordt aangeboden en dat het verblijf in het complex vervolgens van korte duur is. Daarnaast blijkt uit vergelijkend onderzoek dat de dealtelefoon en privételefoons van [verdachte] geregeld actief zijn in het gebied rondom de [adres] op het moment dat de tag van de parkeergarage wordt gebruikt. Bewijsoverwegingen Betrokkenheid verdachte Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte niet de man is waarover medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart. De rechtbank verwerpt het verweer. In haar eerste verklaring bij de politie verklaart [medeverdachte 1] direct dat zij op de hoogte was van de verdovende middelen en dat zij de goederen in haar woning heeft bewaard voor een man. Ook heeft zij verklaard dat zij wist dat er kogels in haar woning aanwezig waren. De man zou als enige in het bezit zijn van de sleutel van haar woning. In de jas van verdachte is een sleutelbos aangetroffen met daaraan een tag van de garage van het woningcomplex en de sleutel van de woning [adres] . Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij in het bezit was van deze sleutel en deze tag. De rechtbank heeft gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden geen enkele twijfel dat verdachte de man is waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard. Verdachte heeft daarmee de verdovende middelen en de wapens en munitie samen met [medeverdachte 1] voorhanden/aanwezig gehad. Hoeveelheid MDMA In de tenlastelegging is onder 4 opgenomen dat sprake is van het aanwezig hebben van ongeveer 22.000 pillen MDMA. Door de raadsman is aangevoerd dat dit aantal niet bewezen kan worden nu uit het laboratoriumonderzoek naar de inbeslaggenomen pillen volgt dat een deel is aangeduid als mCPP, een substantie die niet strafbaar is gesteld bij de Opiumwet. De officier van justitie onderschrijft het standpunt van de raadsman, maar verwijst wel naar een foto op pagina 979 van het dossier. De foto maakt duidelijk dat slechts een klein deel van de zichtbare pillen een roze kleur (mCPP) bevat en daarom kan voor een bewezenverklaring worden gekozen voor een hoeveelheid materiaal bevattende MDMA, waarbij rekening moet worden gehouden dat bijna alle pillen MDMA bevatten. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden hoeveel pillen MDMA en hoeveel pillen mCPP bevatten. De foto geeft hierover onvoldoende duidelijkheid omdat daarop alleen de buitenste pillen zichtbaar zijn en de rest van de inhoud van de sealbag niet. Het is daarom een te grote stap om aan te nemen dat het overgrote deel van de pillen in de sealbag MDMA zou bevatten. Verdachte zal worden vrijgesproken van de concreet in de tenlastelegging vermelde hoeveelheid pillen MDMA. In de bewezenverklaring zal de rechtbank uitgaan van een hoeveelheid pillen bevattende MDMA zonder die hoeveelheid nader te kwantificeren. Conclusie De rechtbank vindt de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten bewezen. 5Bewezenverklaring De rechtbank vindt op grond van de in rubriek
- opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
- in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 16 november 2017 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie - gevormd door (onder meer) verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven strafbaar gesteld in de Opiumwet, namelijk: - het telkens opzettelijk verkopen en afleveren en vervoeren en aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, welke deelneming onder meer bestond in/uit het samen met andere deelnemers aan die organisatie telkens: - verkopen en vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en - afgeven en verstrekken van cocaïne aan andere deelnemers van voornoemde organisatie en - hebben/onderhouden van (al dan niet) versluierde telefonische en directe contacten met andere deelnemers aan voornoemde organisatie en/of kopers.
- in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 16 november 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
- op 24 januari 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid pillen MDMA en ongeveer drie kilo aan wikkels cocaïne en ongeveer negen kilo aan blokken cocaïne, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of cocaïne.
- op 24 januari 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, te weten een machinepistool (Glock), en wapens van categorie III, te weten twee patroonmagazijnen (Glock), en munitie van categorie III, te weten vijfendertig patronen (MMS), voorhanden heeft gehad.
- op 24 januari 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer drie kilo hasj. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf 8.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van voorarrest. 8.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de eis van de officier van justitie te fors is. Gewezen is op de onverklaarbare verschillen met de strafeisen tegen de medeverdachten. Bij de op te leggen straf dient rekening te worden gehouden met meerdaadse samenloop, terwijl in de strafeis sprake is van een volledige cumulatie van straffen. Daardoor valt de strafeis onevenredig hoog uit. Daarnaast dienen de korte pleegperiode en de persoonlijke omstandigheden van verdachte te worden meegewogen. Verdachte is first offender en zal in de komende periode moeten vechten voor het voortbestaan van zijn onderneming. 8.
- Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich gedurende een periode van viereneenhalve maand schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot doel had het handelen in verdovende middelen. De organisatie is er daarbij op uit is geweest om geldelijk gewin te behalen. Er is sprake geweest van een groot aantal verkopen. Het gebruik van harddrugs door die afnemers brengt vervolgens (grote) gezondheidsrisico’s mee en daarnaast leidt de handel in verdovende middelen ook geregeld tot georganiseerde misdaad en (zeer) ernstige misdrijven. Verdachte heeft binnen de organisatie een aansturende rol gehad. Hij had samen met een ander de beschikking over de dealtelefoon en gaf vervolgens instructies aan de dienstdoende koerier(s). Daarnaast had verdachte toegang tot een woning waar grote hoeveelheden verdovende middelen zijn aangetroffen. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie. Het ongecontroleerde bezit hiervan kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. De wapens zijn aangetroffen in de buurt van verdovende middelen en daarmee wordt bevestigd dat de handel in verdovende middelen ook geweldrisico’s met zich brengt. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een aanzienlijke gevangenisstraf moet volgen. Wel komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Eén van de redenen daarvoor is dat de rechtbank het dealen van cocaïne en het deelnemen aan een criminele organisatie slechts kan bewijzen voor een periode van 1 augustus 2017 tot en met 16 november 2017, dat is zeven maanden korter dan de periode die door de officier van justitie bewezen werd geacht. Ook werkt strafverminderend dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en dat hij zwaarwegende persoonlijke belangen heeft omdat hij zijn ondernemingen probeert overeind te houden. In beperkte mate is ook rekening gehouden met de samenhang tussen de bewezen verklaarde feiten. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar passend is. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis zal worden opgeheven nu de rechtbank geen gevaar voor recidive of andere gronden tot handhaving van dat bevel aanwezig acht. 9Beslag Onder verdachte zijn 30 voorwerpen in beslag genomen zoals weergegeven op de beslaglijst van 7 augustus 2019 die als bijlage aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud geldt als hier ingevoegd. Hieronder zal ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen worden volstaan met verwijzing naar de nummers van die voorwerpen op de beslaglijst. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle inbeslaggenomen voorwerpen teruggegeven kunnen worden aan verdachte en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beslissing rechtbank De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst vermeld onder nummers 1 tot en met 30 dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht; 2, 3, 10, 11 en 11b van de Opiumwet; 26, 55 van de Wet wapens en munitie. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
- is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet; Ten aanzien van feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 5: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II; en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III; en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 6: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Gelast de teruggave aan [verdachte] van de voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 30 op de beslaglijst. Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Vaandrager, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds en B.M. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november
- De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documenten en pagina’s in het dossier. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. BEV 002, p. 1 BEV 005, p. 21-25; BEV 066, p. 641-677 OBS 017, p. 44-48; BEV 023, p. 58; BEV 010, p. 63 OBS 016, p. 65-69; BEV 025, p. 82; BEV 015, p. 130-131; GET 015, p. 1221-1223 OBS 001, p. 98-100 BEV 025, p. 82; BEV 007, p. 124 - 125 OBS 015, p. 132-134 OBS 002, p. 142-145; BEV 006, p. 161 OBS 003, p. 163-164, BEV 020, p. 165-167 OBS 011, p. 235-237 Verhoor getuige [getuige 3] , p. 306-309 Verklaring getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris Verhoor getuige [getuige 2] , GET 011; p. 1053-1057 en GET 020; p. 1070-1075 Verklaring getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris Verklaring getuige [getuige 1] , GET 012, p. 1088-1092 Verklaring getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris OBS 005, p. 191-192 OBS 009, p. 195-196 BEV 030, p. 197-198; OBS 008, p. 199-201 BEV 075, p. 581-583 OBS 010, p. 232-233 BEV 022, p.193-194; BEV 030, p. 197-198: BEV 053, p. 202-218: BEV 064, p. 225-227: BEV 065, p. 258-260; NFI-rapport vergelijkend spraakonderzoek inzake [verdachte] van 29 november 2018 BLS 012, p. 689-704; DSK 008, p.935-984; DSK 009, p. 985-986; DSK 011, p. 987 Proces-verbaal bevindingen, p. 529-531 BLS 010, p. 685-688 BEV 067, p. 189: BEV 043, p. 293 BEV 042, p. 298-300; BEV 050: p. 292; BEV 028, p. 1156; BEV 029, p.1158-1159; BEV 044, p. 1160-1163: BEV 041, p. 1164-1168; BEV 040, p. 1169-1173; BEV 045, p. 1174-1178; BEV 047, p. 1179-1182; BEV 049, p. 1183-1185; BEV 088, p. 1460, BEV 043, p. 293-297 BEV 043, p. 293 BEV 066, p. 641 BEV 039, p. 246 BEV 067, p.188-189: BEV 043, p. 293-297; BEV 085, p. 1483; BEV 088, p. 1468 BLS 010, p. 685-688 BLS 012, p. 689-704; DSK 008, p.935-984; DSK 009, p. 985-986; DSK 011, p. 987 BLS 007, p. 550-551; BLS 011, p.707-710 DSK 002, p. 721-730 BEV 104, p. 1751-1752 Proces-verbaal van verhoor, p.552-565, proces-verbaal van verhoor, p. 53 persoonsdossier [medeverdachte 1] OBS 018, p. 602 BLS 028, p. 862-866