RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751829-19 RK nummer: 19/5396 Datum uitspraak: 21 november 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 september 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 maart 2019 door the District Court in Bydgoszcz , III Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982, niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen op een Nederlands adres, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam PI] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 november
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 22 december 2016 van the District Court in Bydgoszcz (referentie: III K 845/16). In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon nog volledig te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen; eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. 5Artikel 6, vijfde lid, OLW in samenhang met artikel 6, tweede lid, OLW Overlevering van een Nederlander wordt ingevolge artikel 6, tweede lid, OLW niet toegestaan indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Hetzelfde geldt voor een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling. In artikel 6, vijfde lid, OLW zijn de drie cumulatieve voorwaarden voor gelijkstelling van een vreemdeling met een Nederlander vermeld. Het betreft de volgende drie voorwaarden: bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; in Nederland vervolgd kunnen worden voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen; de verwachting moet bestaan dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon een beroep gedaan op gelijkstelling met een Nederlander op grond van voormelde bepaling. Hij heeft daartoe ongeveer een half uur voor het geplande aanvangstijdstip van de zitting stukken naar de rechtbank en de officier van justitie gemaild. De officier van justitie heeft de rechtbank primair verzocht geen acht te slaan op de door de raadsman overgelegde stukken, omdat deze stukken te laat zijn overgelegd. De rechtbank wijst dit verzoek af. De stukken zijn inderdaad onwenselijk laat overgelegd door de raadsman. In dit geval zijn de stukken echter eenvoudig te beoordelen. Ook is van belang dat de officier van justitie subsidiair een standpunt heeft ingenomen over de stukken. De rechtbank is – in overeenstemming met het subsidiaire standpunt van de officier van justitie – van oordeel dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet kan slagen. De opgeëiste persoon is niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Evenmin is hij in het bezit van een – volgens vaste rechtspraak van de rechtbank met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelijk te stellen – duurzaam verblijfsrecht als burger van de Europese Unie (EU). Hij heeft (tijdens het verhoor door de officier van justitie bij zijn voorgeleiding) verklaard sinds augustus 2014 in Nederland te verblijven. Een duurzaam verblijfsrecht zou in het geval van de opgeëiste persoon, die als economisch actieve EU-onderdaan in Nederland verblijft, na vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf worden verkregen. Uitgaande van augustus 2014 als beginpunt van de hiervoor bedoelde periode zou de opgeëiste persoon in augustus 2019 een duurzaam verblijfsrecht kunnen hebben verworven. Voor de opgeëiste persoon geldt echter dat een door hem in Nederland opgelegde en ondergane gevangenisstraf in de weg staat aan het verwerven van een duurzaam verblijfsrecht. Uit zijn strafblad blijkt namelijk dat hij in de periode van 29 juni 2018 tot en met 26 november 2018 in Nederland een door de Politierechter in de rechtbank Limburg op 5 oktober 2018 opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan. Een gevangenisstraf doorbreekt volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie een periode van onafgebroken verblijf (zie: arrest van het EU-Hof van 16 januari 2014 in de zaak C‑378/12, Onuekwere). Deze regel is ook opgenomen in artikel 8.17, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit
- De opgeëiste persoon had op 29 juni 2018 nog geen vijf jaar onafgebroken (rechtmatig) in Nederland verbleven. Ook na het ondergaan van zijn gevangenisstraf, op 26 november 2018, is geen sprake van vijf jaar onafgebroken (rechtmatig) verblijf in Nederland. Gezien het voorgaande voldoet de opgeëiste persoon niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Nu de opgeëiste persoon al niet voldoet aan de onder 1 genoemde voorwaarde komt hij niet voor gelijkstelling met een Nederlander in aanmerking en staat het bepaalde in artikel 6, tweede lid, OLW dus niet in de weg aan het toestaan van de verzochte overlevering. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 266, 267 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan the District Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen) . Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. C. Klomp en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 november
- Mr. J.H. Beestman is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.