← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:9118

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751701-19 RK nummer: 19/4427 Datum uitspraak: 1 november 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2019 door the Court in Sighişoara (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [naam opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1995, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 september 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J. de Bruijn, advocaat te Den Haag, waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. C.C. Peterse, en een tolk in Roemeense taal. De rechtbank heeft op 24 september 2019 het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over onderdeel

  1. d)van het EAB, namelijk de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de behandeling van de zaak waarin vonnis is gewezen en waarvoor de overlevering is verzocht en de detentieomstandigheden in de Penitentiaire Inrichting waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. De rechtbank heeft het onderzoek hervat op 1 november 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de raadsvrouw van opgeëiste persoon, mr. C.C. Peterse, advocaat te Den Haag. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de betekening van de oproeping van de opgeëiste persoon op het door hem in het kader van zijn schorsing opgegeven adres niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat dit adres niet bestaat. De raadsvrouw heeft betoogd dat het juiste adres [adres] in Den Haag is en dat de onjuiste vermelding van het adres in de schorsingsvoorwaarden het gevolg is van een vertaalfout. Zij heeft verklaard uitdrukkelijk door de opgeëiste persoon te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon is om een correct verblijfadres tijdens de schorsing op te geven. De rechtbank zet de behandeling van de zaak buiten de aanwezigheid van de opgeëiste persoon voort, omdat de opgeëiste persoon daardoor gelet op het navolgende niet in enig belang is geschaad. De raadsvrouw en de officier van justitie hebben daarmee ingestemd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Roemeense nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een criminal sentence no. 271/24.10.2018, definitive through lack of appeal on 12.11.2018. Uit de brief van 3 oktober 2019 van de Court in Sighisoara volgt dat bij dat vonnis een aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf van twee jaar en twee maanden, uitgesproken op 22 november 2016, is omgezet naar een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van die duur. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals dat is omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Uit onderdeel
  3. a)van het EAB en een brief van de Roemeense autoriteiten van 3 oktober 2019 volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van (onder meer) de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing van 22 november 2016 heeft geleid, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 12, sub a, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd. 5Detentieomstandigheden 5.1 Inleiding De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In zo een geval rust op de rechtbank de verplichting om te beoordelen of zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat. In een e-mailbericht van 14 augustus 2019 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) te Amsterdam de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon na overlevering aan Roemenië naar verwachting zal worden gedetineerd. Op 20 september 2019 is antwoord ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Hieruit blijkt kort gezegd dat: de opgeëiste persoon eerst voor een periode van 21 dagen zal worden gedetineerd in de Bucharest Rahova Prison, in een cel van minimaal 3 m2; hij vervolgens waarschijnlijk terecht zal komen binnen een semi-open security level facility van de Târgu Mureş Prison. Wanneer de opgeëiste persoon hier terecht zal komen, bedraagt de personal space 2 m2; na het uitzitten van één vijfde van de opgelegde vrijheidsstraf de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor een overplaatsing naar open security level facility van de Târgu Mureş Prison, waar hij over minimaal 3 m2 personal space zal beschikken. 5.2 Standpunten ter zitting De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB in verband met detentieomstandigheden in het semi-open security level facility van de Târgu Mureş Prison, waar de opgeëiste persoon terecht zal komen. De raadsvrouw heeft zich eveneens op dit standpunt gesteld. 5.3 Oordeel rechtbank De rechtbank stelt op basis van de verstrekte informatie vast dat de opgeëiste persoon drie weken zal verblijven in de Bucharest Rahova Prison, in een cel van minimaal 3 m2, waarna hij waarschijnlijk zal worden gedetineerd in een semi-open security level facility van de Târgu Mureş Prison alwaar hij over personal space van 2 m2 zal beschikken. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (arrest van 20 oktober 2016, nr. 7334/13, Muršić v. Croatia) levert een personal space van minder dan 3 m2 het sterke vermoeden op, dat de detentieomstandigheden vernederend zijn in de zin van artikel 3 EVRM en dus ook - gelet op artikel 52, derde lid Handvest - in de zin van artikel 4 Handvest. Dit vermoeden kan echter worden weerlegd door het cumulatieve effect van alle detentieomstandigheden. Indien de personal space minder is dan 3 m2 dient sprake te zijn van factoren die het gebrek aan personal space adequaat compenseren. Deze cumulatieve factoren betreffen – kort gezegd – de volgende: 1.‘short, occasional and minor reductions of personal space’; 2.‘sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities’; 3.‘confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility’. De rechtbank is van oordeel dat een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan vernederende detentieomstandigheden in de zin van artikel 4 Handvest, omdat in de semi-open security level facility van de Târgu Mureş Prison niet meer dan 2 m2 personal space voor hem beschikbaar zal zijn. Dit is 33% minder dan de minimale norm van 3 m2 en betreft daarom meer dan een minor reduction, zoals in de eerste cumulatieve factor staat omschreven. Daarnaast is geen sprake van een short reduction of personal space, omdat de opgeëiste persoon minimaal één vijfde van de aan hem opgelegde straf in de semi-open security level facility van de Târgu Mureş Prison zal moeten uitzitten. Omdat aan hem in totaal twee jaar en twee maanden gevangenisstraf is opgelegd, gaat het om een periode van ruim vijf maanden. Nu de uitkomst van de toetsing aan de eerste cumulatieve factor negatief is, komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen al om die reden het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet is weerlegd. In geval van overlevering aan Roemenië loopt de opgeëiste persoon dus een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest. Overeenkomstig het besliskader dat het Hof van Justitie van de Europese Unie uiteen heeft gezet in het arrest Aranyosi en Căldăraru, moet de rechtbank de beslissing over de overlevering daarom uitstellen. Indien het gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vervolgens niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit te beslissen of de overleveringsprocedure moet worden beëindigd. In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende concreet zicht bestaat op overlevering binnen een redelijke termijn, omdat op dit moment geen informatie beschikbaar is op grond waarvan kan worden aangenomen dat binnen afzienbare tijd het reële gevaar voor de opgeëiste persoon zal worden weggenomen. Er zijn geen ontwikkelingen betreffende de semi-open security level facility van de Târgu Mureş Prison gaande die daarop duiden. In deze situatie past het niet de zaak aan te houden om verdere vragen te stellen of ontwikkelingen af te wachten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de overleveringsprocedure dient te worden beëindigd. Dit leidt ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. 6Beslissing VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 OLW van 24 juli 2019. STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd. Aldus gedaan door mr. Ch. A. van Dijk voorzitter, mrs. H.J. Fehmers en M.T.C. de Vries rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Drent griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 november 2019. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie o.a. rb Amsterdam, 28 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2630 zie HvJ EU, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru, punt 92)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.