← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:9284

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751783-19 RK nummer: 19/5693 Datum uitspraak: 26 november 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 oktober 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2019 door het Amtsgericht Schwerin (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedag] 1992, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland; gedetineerd in [plaats detentie], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 november

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Arabische (Tunesische) taal. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Tunesische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een arrestatiebevel van 31 mei 2019 van het Amtsgericht Schwerin (referentie: 38 Ds 343/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:
  2. mishandeling;
  3. diefstal;
  4. diefstal;
  5. diefstal;
  6. niet naleving van het bepaalde bij artikel 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000;
  7. diefstal, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 300, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht, artikel 70 Wet personenvervoer 2000 en 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Schwerin (Duitsland). Aldus gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters, in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 november
  8. De oudste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.