← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:9673

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751060-19 RK nummer: 19/5157 Datum uitspraak: 7 november 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 september 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2018 door the Budapest-Capital Regional Court, Penalty Enforcement Department (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1978 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [PI te plaats] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 oktober

  1. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W. Ramnun, advocaat te Breda en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een tweetal vonnissen: - Vonnis van 26 juni 2012 van the Central District Court of Pest met nummer 24.B.793/2010/114 waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was bij de behandeling van zijn zaak. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 5 maanden waarvan volgens het EAB 1 jaar en 5 maanden resteren. - Vonnis van 28 september 2016 met nummer 23.B.31.265/2016/33 van the Central District Court en definitief geworden bij Decree van 27 april 2017 met nummer 23.Bf.12.805/2016/25 van the Budapest-Capital Regional Court as court of second instance, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was bij de behandelingen die tot het vonnis en het Decree hebben geleid. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 2 maanden waarvan volgens het EAB 7 maanden resteren. 4Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht gedeeltelijk aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten moet achterwege blijven De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten: oplichting 4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten voor het overige niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Deze feiten leveren naar Nederlands recht op: valsheid in geschrift, en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd en diefstal door twee of meer verenigde personen 5Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat 5.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen om nadere informatie aan de Hongaarse autoriteit op te vragen over de detentieomstandigheden in Hongarije. De raadsman voert hiertoe aan dat de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de gedateerde bevindingen van het CPT niet langer kunnen worden aangemerkt als naar behoren bijgewerkte gegevens waarop een conclusie kan worden gebaseerd dat gedetineerden in Hongarije in het algemeen wel of geen reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen. 5.2 Standpunt van de officier van justitie Niet langer kan worden geconcludeerd dat gedetineerden in Hongarije in het algemeen een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen. De overlevering van de opgeëiste persoon kan worden toegestaan, aldus de officier van justitie. De behandeling van de zaak hoeft dan ook niet te worden aangehouden om nadere informatie over de detentieomstandigheden in Hongarije op te vragen. 5.3 Oordeel van de rechtbank Tijdens de behandeling ter zitting zijn geen nieuwe gegevens over de detentieomstandigheden in Hongarije naar voren gebracht. Gelet op hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 27 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6354, heeft uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat de gegevens op basis waarvan zij in eerdere uitspraken betreffende Hongaarse overleveringsverzoeken heeft geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, niet langer kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens”. Evenmin beschikt de rechtbank over nieuwe gegevens op basis waarvan een dergelijk reëel gevaar kan worden vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet langer kan worden geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen. De rechtbank verwerpt het verweer. 6Verjaring Standpunt verdediging De raadsman stelt zich onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank van 6 december 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2019:5853) op het standpunt dat het in het EAB genoemde vonnis met nummer 24.B.793/2010/114 van 26 juni 2012 is verjaard naar Hongaars recht, dat volgens de raadsman bepaalt dat indien een gevangenisstraf van minder dan 5 jaar wordt opgelegd de executieverjaringstermijn op 5 jaar is gesteld. Op grond daarvan dient de overlevering van de opgeëiste persoon te worden geweigerd. Standpunt officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit het EAB niet blijkt dat het vonnis uit 26 juni 2012 is verjaard zodat de overlevering kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank De verdediging heeft aangevoerd dat in Hongarije een vrijheidsstraf van minder dan vijf jaar verjaart bij het verstrijken van vijf jaar. Uit de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2018 waar de raadsman zich op beroept blijkt dat in die zaak wel een tijdstip van verjaring was opgenomen en dat - ook al was in het EAB blijkbaar ook vermeld dat een opgelegde vrijheidsstraf van minder dan vijf jaar bij het verstrijken van vijf jaar zou verjaren - dat tijdstip is aangehouden en de beroepsgrond om die reden is afgewezen. De rechtbank stelt allereerst vast dat verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat het OLW geen weigeringsgrond is op grond van de OLW. Het EAB bevat bovendien standaard de mededeling dat het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is en dus dat het recht tot tenuitvoerlegging niet is verjaard. Behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel zal op de juistheid van die mededeling moeten worden vertrouwd. Ten overvloede geldt dat als de verjaringstermijn al vijf jaar zou bedragen, het mogelijk is dat deze termijn wordt gestuit, zodat uit de verjaringstermijn op zichzelf niet kan worden afgeleid dat het vonnis is verjaard. De rechtbank verwerpt het verweer. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 225 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Budapest-Capital Regional Court, Penalty Enforcement Department (Hongarije). Aldus gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, mrs. N.M. van Waterschoot en M.J. Alink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 november
  2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.