← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:9683

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751441-19 RK nummer: 19/4244 Datum uitspraak: 5 december 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juli 2019 door (de directrice van) de rechtbank van eerste aanleg te Kleve (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboorteplaats] ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 november 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C. Mc. Givern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een op 18 maart 2019 door de Rechtbank van eerste aanleg Kleve uitgevaardigd arrestatiebevel met nummer 10 Gs 443/19 (204 Js 49/19). Volgens het EAB luidt de officiële naam van de uitvaardigende justitiële autoriteit “de directrice van de rechtbank van eerste aanleg Kleve”. Het EAB vermeldt dat het daadwerkelijk is uitgevaardigd en ondertekend door een rechter van het genoemde gerecht. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit op deze lijst onder nummer 5, te weten: Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Volgens de in rubriek
  2. c)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. The Head Senior Public Prosecutor at Kleve heeft op 9 juli 2019 de volgende garantie gegeven: (…) As [opgeëiste persoon] is a Dutch national, I declare as follows: It is assured that in the event of an final sentence to imprisonment without suspension on probation within the Federal Republic of Germany the wanted person, [opgeëiste persoon] , will be transferred back to the Netherlands according to the Council Framework Decision 2008/909/HA of 27th November 2008. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het ook naar Nederlands recht strafbaar is. Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe. Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd: - de verdovende middelen waren bestemd voor de Duitse markt; - de rechtsorde in is Duitsland geschokt; - het bewijs bevindt zich in Duitsland. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering van de officier van justitie, om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW, moet worden afgewezen. De keuze zou kunnen worden gemaakt om de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dit niet anders. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan (de directrice van) de rechtbank van eerste aanleg te Kleve (Duitsland). Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A.W.C.M. van Emmerik en N.M. van Waterschoot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 december 2019. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.