RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/741053-19 (Promis) Datum uitspraak: 19 december 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte] geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in [detentieadres] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december
(2019), begroot de rechtbank de immateriële schade op € 2.500,-. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Conclusie De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 2.620,-. Ten aanzien van het restant aan gevorderde schade, zijnde een bedrag van € 5.000,-, wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.620,-. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij na detentie niet direct over inkomsten zal beschikken, zal de rechtbank de aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden vervangende hechtenis beperken tot 5 dagen. 11Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevindt zich de op 9 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/001960-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 30 december 2014 van het Gerechtshof te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot 80 dagen jeugddetentie, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 40 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. Ten aanzien van de proeftijd is de rechtbank uitgegaan van de einddatum zoals vermeld op de stukken van het TUL-dossier en het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie, te weten 29 augustus
- Deze datum lijkt in overeenstemming te zijn met de omstandigheid dat verdachte tussentijds gedetineerd zat. De door de raadsman overgelegde stukken doen hier niet aan af. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten. 12Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 282, 284, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 13Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: afpersing; Ten aanzien van feit 2: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; Ten aanzien van feit 3: een ander door geweld en door bedreiging met geweld gericht tegen die ander wederrechtelijk dwingen iets te doen; Ten aanzien van feit 4: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [naam verdachte] daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaren. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Ten aanzien van het beslag Gelast de teruggave aan [naam 1] [Naam ontvanger] van nummer 1 van de beslaglijst. Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon] Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [persoon] tot een bedrag van € 2.620,- (zegge tweeduizend zeshonderdtwintig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 juni 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 120,- materiële schade en € 2.500,- immateriële schade. Veroordeelt verdachte aan [persoon] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van [persoon] , te betalen de som van € 2.620,- (zegge tweeduizend zeshonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 juni 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Ten aanzien van TUL 23/001960-14 Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 30 december 2014, namelijk 40 dagen jeugddetentie. Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.C. Groenendaal, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en H.E. Hoogendijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december
- [..] 1 [..] [..] .