RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/741053-19 (ontneming) Datum uitspraak: 19 december 2019 Tegenspraak VONNIS Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/741053-19, tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in [detentieplaats] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 5 december
- De onderliggende strafzaak is tegelijkertijd behandeld met deze ontnemingsvordering. De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering van de officier van justitie, mr. E. Broekhof, en van wat de veroordeelde en zijn raadsman, mr. M.J.C. Verlaan, naar voren hebben gebracht. 2Vordering Onderzoek van de zaak De vordering van de officier van justitie van 7 november 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 620,-. Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. 3Grondslag van de vordering Veroordeelde is in de onderliggende strafzaak bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2019 ter zake van het navolgbare strafbare feit veroordeeld. Onder 1: Afpersing. 4Wederrechtelijk verkregen voordeel 4.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen nu veroordeelde een geldbedrag van € 620,- heeft afgeperst. Het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft dan ook voormeld bedrag. 4.
- Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, omdat verdachte in de onderliggende strafzaak moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. 4.
- Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat bij de beoordeling en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het vonnis van 19 december
- Uit deze veroordeling volgt dat veroordeelde het slachtoffer heeft gedwongen tot afgifte van een bedrag van € 620,-. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat veroordeelde voormeld bedrag wederrechtelijk heeft verkregen. De ontnemingsvordering zal dan ook geheel worden toegewezen en het voordeel zal op grond van voornoemd strafbaar feit worden vastgesteld op € 620,-. 5Verplichting tot betaling De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 620,-. 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 620,-. Legt op aan veroordeelde de verplichting tot betaling van € 620,- (zeshonderdtwintig euro) aan de Staat. Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.C. Groenendaal, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en H.E. Hoogendijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2019.