beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/662757 / HA RK 19-74 Beschikking van 27 juni 2019 in de zaak van [verzoeker], wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. E.A. Dekker te Etten-Leur, tegen de naamloze vennootschap N.V. VERZEKERINGSBEDRIJF GROOT AMSTERDAM, gevestigd te Amsterdam, verweerster, advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam. Partijen zullen hierna [verzoeker] en VGA worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 28 februari 2019, met producties, - de tussenbeschikking van 4 april 2019, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 mei 2019 en de daarin genoemde processtukken, waaronder het verweerschrift. 1.2. De beschikking is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. Op 12 september 2016, omstreeks 17:30 uur, heeft op de [adres 1] te [plaats] een aanrijding plaatsgevonden tussen [verzoeker] als bestuurder van een motorfiets en [autobestuurder] als bestuurder van een auto. [Verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. 2.2. [ Autobestuurder] is ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij VGA. 2.3. De Politie Amsterdam-Amstelland heeft op 12 september 2016 een registratie van het ongeval opgemaakt. Daarin staat omtrent de toedracht van het ongeval het volgende weergegeven: “B.T. [AUTOBESTUURDER] K.U.D.R.V. [adres 2] G.I.D.R.V. [adres 1] zag BT [VERZOEKER] op een zwartkleurige motor rijden. BT [AUTOBESTUURDER] zag dat BT [VERZOEKER] het voertuig niet onder controle had, achter wiel slipte weg. Derhalve is BT [AUTOBESTUURDER] op veilige afstand de motor gepasseerd. Vervolgens hoorde BT [AUTOBESTUURDER] een klap en zag glas van zijn rechtervoorportiek de auto in spatte. Hierop is BT [AUTOBESTUURDER] uitgestapt en zag BT [VERZOEKER] op het wegdek liggen. Beide bestuurders bliezen P. BT [VERZOEKER] was niet horen daar hij voor behandeling naar het ziekenhuis vervoerd is.” Voorts is omtrent de omstandigheden ter plaatse van het ongeval opgenomen dat het ongeval heeft plaatsgevonden binnen de bebouwde kom waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. Met betrekking tot de aard van het ongeval staat “botsing flank” weergegeven. 2.4. [ Autobestuurder] heeft ten overstaan van de politie op 12 september 2016 onder meer het volgende verklaard: “Ik kwam vanaf de [adres 2] en reed de [adres 1] te [plaats] op. (…) Ik zag een man op een motor zwart van kleur. Ik zag dat deze gas gaf en dat het achterwiel daardoor wegslipte. Ik zag dat de man geen helm op had. Vervolgens liet de man het gas los. Ik ging er vanuit dat de man de garage instuurde. Toen was ik de man een motor voorbij. Vervolgens hoorde ik een klap, ik zag glas naar binnen komen. Kennelijk was de man en motor tegen mijn rechterzijde gekomen. Ik stapte uit en zag de man liggen. Ik heb niet gezien hoe het is gebeurd. (…).” 2.5. [ Verzoeker] heeft op 30 september 2016 ten overstaan van de politie een verklaring afgelegd. Het proces-verbaal luidt – voor zover hier relevant – als volgt. “(…) De motor stond op de stoep en ik liep achteruit. Ik trok op, ongeveer 3 meter. Ik had mijn linkervoet aan de grond en mijn koppeling had ik in. Ik wilde kijken en werd toen al meegenomen door het andere voertuig. Ik werd dus geraakt. Ik kan me niet herinneren hoe dit gebeurd is. Ik ben aan de rechterkant van het voertuig terecht gekomen. Ik droeg geen helm en ik wilde de motor eigenlijk alleen maar binnenzetten. Ik heb letsel overgehouden aan deze aanrijding. Ik heb een hersenschudding opgelopen waardoor mijn hoofd draait en het moeilijk is om te werken. Tevens zijn mijn enkels gekneusd en heb ik last van mijn knieën. (…).” 2.6. Partijen hebben geen gezamenlijk schadeaanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend. Op het zijdens [verzoeker] ingevulde schadeaanrijdingsformulier staat onder opmerkingen vermeld: “Ik stond stil en werd aangereden van links (…)” en dat [autobestuurder] rechtdoor reed en de motorfiets inhaalde. In het door [autobestuurder] ingevulde schadeaangifteformulier staat alleen vermeld dat hij rechtdoor reed en de motorfiets inhaalde. 2.7. Verder hebben [de heer A], [de heer B] en [de heer C] schriftelijke verklaringen omtrent de toedracht van het ongeval afgelegd. 2.8. VGA heeft in reactie op de aansprakelijkstelling van de advocaat van [verzoeker], en na toezending van de hiervoor genoemde schriftelijke getuigenverklaringen en het schadeaanrijdingsformulier van [verzoeker], aan hem bericht dat zij geen aansprakelijkheid erkent. 2.9. [ Verzoeker] heeft vervolgens een voorlopig getuigenverhoor aanhangig gemaakt. Op 2 mei 2018 en 24 oktober 2018 zijn [verzoeker], [autobestuurder], de heer A, de heer B, de heer C en de heer D. in het kader van het door verzoeker verzochte voorlopig getuigenverhoor gehoord voor de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. 2.10. [ Verzoeker] heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het navolgende verklaard: “(…) Ik was op dat moment bezig mijn motorfiets, een grote [merk] , naar binnen mijn garage in te rijden. (…) Ik startte de motor, en keek over mijn schouder of er iets aan kwam. Dat was nodig omdat ik met een bochtje over de weg de garage in rij. (…) De motorfiets stond op een stoep die gesitueerd is voor mijn garage (…). Om de motorfiets de garage in te rijden moet ik de motorfiets achteruit manoeuvreren, dat moet achteruit lopend zittend op de motor, waarnaar ik de motorfiets eigenlijk rechtuit zet met de rug naar de [adres 2] toe. Normaliter rijd ik dan met een bochtje linksom de garage in. (…) Op 12 september 2016 had ik de motorfiets inmiddels achteruit gemanoeuvreerd en stond ik met mijn rug toe naar de [adres 2] . Voordat ik achteruit reed had ik al over mijn schouder gekeken en gezien dat er geen verkeer aan kwam. Toen de motorfiets rechtuit op de straat stond, ben ik een stukje rechtuit gereden. Daarbij heb ik mijn achterwiel laten slippen. Daarbij maakte mijn achterwiel een kleine slippende beweging, naar beide kanten ongeveer 30 centimeter. Toen ben ik weer stil gaan staan, daarbij had ik de motorfiets met de koppeling ingetrokken en de rem erop klaar staan om de bocht naar links te maken. (…) Voordat ik over mijn linker schouder kon kijken werd ik al aangereden. (…) Door die aanrijding ben ik een heel eind meegesleurd. (…) Pas in de ambulance ben ik weer bijgekomen. (…) Gelet op het feit dat ik van achteren ben aangereden moet het wel zo zijn dat de [autobestuurder] vanaf de [adres 2] kwam. Ik denk dat hij in ieder geval meer dan 30 km per uur reed. Er stond op die dag een verkeersbord in verband met werkzaamheden, waarop een snelheidslimiet stond van 30 km per uur. (…) De schade aan mijn motorfiets bevond zich aan de linker kant. De schade begon bij het voorwiel en eindigde bij de kunststoffen bagagebak aan de linker kant van de motorfiets (…).” 2.11. De heer A. heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het volgende verklaard: “Ik kende voor het ongeval geen van de daarbij betrokkenen. (…) Ik reed met mijn vriend in de straat waar het ongeval gebeurde, de straatnaam weet ik niet meer. Wij reden in de richting van waar wij een mooie zwarte motorfiets zagen staan. Ik zag dat er iemand op zat. Ook zag ik dat vanuit de tegenovergestelde richting van ons uit gezien een auto met een redelijke snelheid aan kwam. (…) De auto was ook wit met rood. Ik zag dat de auto tegen de motorfiets reed. Ik weet niet meer of die auto de motorfiets aan de achterkant of zijkant raakte. Ik zag wel dat de bestuurder door de klap van de motorfiets werd gelanceerd. (…) Mijn vriend heeft de auto waarin wij zaten gestopt. Ik was de passagier. We zijn niet uitgestapt. Wij keken en zagen mensen naar het ongeval toe rennen. Daarna zijn we, nog steeds in shock, doorgereden. (…) De dag na het ongeval ben ik met mijn vriend terug gegaan naar de plaats van het ongeval. We zijn toen het garagebedrijf ingegaan, waaruit wij de dag daarvoor mensen hebben zien rennen. We begrepen toen dat de baas van dat bedrijf het slachtoffer was. Hij was toen niet aanwezig. We hebben onze telefoonnummers achter gelaten voor het geval we een eventuele getuigenverklaring af moesten geven. (…) De motorfiets stond stil op de weg. (…).” 2.12. De heer B heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het volgende verklaard: “(…) Ik reed op de [adres 1] . Ik zat achter het stuur. Ik zag een man op een motorfiets schuin op de straat staan, met zijn neus van de [adres 2] af. (…) Ik zag een rood-witte auto aankomen vanaf de [adres 2] en die reed toen de motorfiets in de linkerflank aan. Ik heb gezien dat de man op de motor door de aanrijding als het ware gelanceerd werd. (…) Wij zijn daarna doorgereden. (…) Ik ben met mijn vriend kort na het ongeval, maar niet op dezelfde dag, teruggegaan naar de plaats van het ongeval en heb gevraagd of wij iets konden doen. (…) De motorrijder stond op het moment van de aanrijding stil. Ik heb hem niet zien rijden. (…). 2.13. De heer C heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het navolgende verklaard: “(…) Ongeveer 2,5 jaar geleden reed ik met mijn auto, ik geloof op de [adres 1] , ter hoogte van de garage (...). Ik zag toen een zwarte chopper, een mooie [merk] , staan. (…) Er zat wel een man op. Wel kan ik mij herinneren dat hij in de rijrichting stond. Hij stond stil. (…) Er kwam een rood-witte auto aanrijden uit de van richting de [adres 2] . Ik zag die auto gewoon op die motorfiets inrijden. Ik dacht nog: dat zou niet hoeven, hoe kan dat nou? Ik heb gezien dat de motor omviel. (…) Voor zover ik heb gezien stond de motorfiets stil. De motorfiets stond een beetje haaks nabij de garage. De auto raakte de motor aan de linkerkant.” 2.14. De heer D heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het volgende verklaard: “[Verzoeker] en ik zijn compagnons geweest in de autogarage waarvoor het ongeval heeft plaats gehad. (…) Ik zag dat [verzoeker] stopte om een auto die er hard aan kwam rijden voor te laten gaan. (…) De motorfiets is, denk ik aan de zijkant geraakt. (…) Ik denk dat de auto boven de 50 km per uur reed, maar ik weet dat niet zeker. (…) Ik kan mij niet herinneren dat de motor slipte. Hij maakte wel geluid. (…). 2.15. [ Autobestuurder] heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het navolgende verklaard: “(…) Ik reed vanaf de [adres 2] de [adres 1] in. Ik zal 40 á 50 kilometer per uur gereden hebben, ik kwam net uit de bocht. (…) Ik zag een motorfiets staan met een berijder erop. Ik zag hem rijden en zag hem gasgeven, waarna ik zag dat zijn achterwiel slipte. Ik ben doorgereden, ik ben de motorfiets gepasseerd. Op dat moment reed de motorfiets rustig. (…) Ik reed ruim om hem heen omdat ik hem had zien slippen. Toen ik hem eigenlijk al voorbij was hoorde ik een klap en zag ik de motorfiets in mijn auto hangen. Ik zag, als ik het mij goed herinner, dat de motorfiets door het rechterachterraam was gevallen. Het kan ook het voorraam zijn geweest. Dat weet ik niet meer. (…) De motorfiets moet denk ik linksvoor schade hebben gehad. (...) Ik heb de motorfiets niet goed bekeken na het ongeval. (...) Toen ik hem passeerde reed hij dus rustig en op dat moment slipte hij niet. Toen ik hem passeerde, reed ik zo ongeveer tegen de as van de weg. Het is een vrij brede weg. (…)”. 2.16. Bij brief van 6 november 2018 heeft de advocaat van VGA aan de advocaat van [verzoeker] medegedeeld geen aanleiding te zien om aansprakelijkheid te erkennen. 3Het verzoek 3.1. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank – samengevat – bij beschikking: bepaalt dat VGA, als WAM-verzekeraar van [autobestuurder], (volledig) aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog lijdt, bepaalt dat VGA is gehouden de volledige geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [verzoeker] te vergoeden, de kosten van deze procedure op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vaststelt conform de opgave van de advocaat van [verzoeker], althans een nader in goede justitie te bepalen bedrag, en VGA veroordeelt – naar de rechtbank begrijpt – in de kosten van de procedure, vermeerderd met het griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking. 3.2. VGA voert verweer. 3.3. Op de standpunten van partijen zal hierna worden ingegaan. 4De beoordeling Behandeling in een deelgeschilprocedure 4.1. Bij beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan komen. Een oordeel hierover kan de weg vrij maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. 4.2. [ Verzoeker] heeft meegedeeld dat de aansprakelijkheidsvraag kan worden beantwoord aan de hand van de verklaringen van partijen en getuigen van het ongeval, waaronder ook de processen-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor, zoals opgenomen in het verzoekschrift. Volgens [verzoeker] zijn er geen andere bewijsmiddelen voorhanden die uitsluitsel kunnen verschaffen over de toedracht dan de reeds bij het verzoekschrift in het geding gebrachte stukken. VGA heeft ter zitting meegedeeld evenmin over andere bewijsmiddelen te beschikken dan de reeds aanwezige informatie. 4.3. Gelet hierop neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat partijen een oordeel over de aansprakelijkheid van VGA wensen op basis van de op dit moment beschikbare informatie, waarbij zij desgevraagd geen concrete mogelijkheden naar voren hebben gebracht om verder bewijs te leveren van de toedracht. Nu er geen andere gronden zijn die aan een beoordeling op grond van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de weg staan, is de rechtbank van oordeel dat deze zaak zich leent voor een deelgeschilprocedure. Het verzoek zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld. Toedracht van het ongeval 4.4. Tussen partijen is in geschil wat de toedracht van het ongeval is geweest. [verzoeker] heeft omtrent de toedracht – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. Hij stelt dat hij voorafgaand aan het ongeval zijn motorfiets vanaf de stoep achteruit op de weg had gemanoeuvreerd. Vervolgens is hij een klein stukje vooruit gereden. Hij stond schuin naar links gedraaid aan de rechterkant van de weg en stond stil toen hij werd aangereden door de auto, die werd bestuurd door [autobestuurder]. [Autobestuurder] reed op dat moment harder dan de maximumsnelheid van 30 km/uur, aldus [verzoeker]. 4.5. VGA betwist de gestelde toedracht en voert daartoe aan dat de aanrijding plaatsvond doordat [verzoeker], nadat [autobestuurder] hem aan de linkerzijde met een ruime bocht had ingehaald, met zijn motorfiets naar links en vervolgens tegen de rechterportier van de auto is aangereden. [Autobestuurder] heeft volgens VGA niet harder dan de van toepassing zijnde maximumsnelheid van 50 km/uur gereden. 4.6. De stelplicht en bewijslast van de stellingen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.