RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752094-19 RK nummer: 19/6744 Datum uitspraak: 13 februari 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 september 2019 door het Amtsgericht Wuppertal (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], [plaats], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, die verklaart op te treden namens zijn kantoorgenoot mr. A.C. Vingerling. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een op 2 juli 2019 door het Amtsgericht Wuppertal uitgevaardigd arrestatiebevel met nummer 81 Gs 521 Js 1019/19-33/19. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Het feit is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit op deze lijst valt onder de nummers 16 en 21, te weten: - 16. Ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling - 21. Racketeering en afpersing Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op het feit naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Leitende Oberstaatsanwalt te Wuppertal (Duitsland) heeft op 27 januari 2020 de volgende garantie gegeven: "(…) Overhandiging van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon] op grond van het Europees Arrestatiebevel vanuit Nederland aan de Bondsrepubliek Duitsland ter strafvervolging. Hier: Verzekering van de terug-overplaatsing (…) Er wordt verzekerd, dat de vervolgde persoon voor het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldige versie van de kaderbeslissing 2008/909/JI van de raad van 27 november 2008 over de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning van oordelen in strafzaken, waardoor een de vrijheid ontnemende straf of maatregel wordt opgelegd, voor het doeleinde van de executie in de Europese Unie (ambtelijk blad L 327 van 05.12.2008, pagina 27) voor de verdere strafexecutie naar Nederland wordt overgebracht." Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar is. Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op: Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt dat geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe. Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd: - dat het onderzoek reeds een aanvang heeft genomen in Duitsland; - dat het bewijs zich voornamelijk in Duitsland bevindt; - dat de medeverdachten in Duitsland worden vervolgd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, en heeft hiertoe aangevoerd dat uit de feitsomschijving van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon met anderen naar Wuppertal is gegaan, dat daar iemand is ontvoerd en naar Nederland is teruggebracht waar zijn spullen hem afhandig zijn gemaakt en dat die persoon vervolgens in Nederland is losgelaten. Hiermee kan niet worden gezegd dat het feit in Duitsland is gepleegd. Het geniet de voorkeur dat de opgeëiste persoon in Nederland zal worden vervolgd nu het feit zich grotendeels in Nederland heeft afgespeeld en hij geworteld is in Nederland. Bovendien blijkt niet uit het EAB dat de medeverdachten in Duitsland worden vervolgd, aldus de raadsman De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft zij naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen Artikel 282 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Wuppertal (Duitsland). Aldus gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en M.J. Alink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2020. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.