RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/665514-13 (ontneming) Datum uitspraak: 14 februari 2020 Tegenspraak Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665514-13, tegen: [veroordeelde] , hierna te noemen [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 31 januari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. R.N. Refos en door de gemachtigde raadsman van [veroordeelde] , mr. R.B.J.G. Baggen, op de zitting naar voren is gebracht. [veroordeelde] is niet ter terechtzitting verschenen. 2De vordering De vordering van de officier van justitie van 18 oktober 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel ter hoogte van € 17.442,-. Gelet op de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. 3Grondslag van de vordering [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2020 veroordeeld ter zake van het volgende strafbare feit: Eendaadse samenloop van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken en van het plegen van witwassen een gewoonte maken. 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn geheel kan worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 17.442,-. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [veroordeelde] dit bedrag heeft witgewassen en op die manier wederrechtelijk voordeel heeft gekregen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat [veroordeelde] zelf voordeel heeft genoten en dat het dossier in verband hiermee geen ontnemingsrapport bevat. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 42.869,54, nu in de strafzaak bewezen is verklaard dat [veroordeelde] dit bedrag heeft witgewassen. Daarmee komt de rechtbank tot een hoger bedrag dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals in het vonnis van deze rechtbank van 14 februari 2020 in de strafzaak met parketnummer 13/665514-13 is weergegeven. 5De verplichting tot betaling De rechtbank zal het te ontnemen bedrag bepalen op € 42.869,
- 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 42.869,
- Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 42.869,54 (tweeënveertigduizend achthonderdnegenenzestig euro en vierenvijftig eurocent) aan de Staat. Bepaalt de duur van de gijzeling die bij gebreke van betaling en verhaal ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 249 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Knol, voorzitter, mrs. G.H. Marcus en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari
- De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.