← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:150

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/637740 / HA ZA 17-1114 Vonnis van 15 januari 2020 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. M. Westerveld te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 augustus 2019 en de daarin genoemde stukken, de akte van [gedaagde] , met producties en de antwoordakte van [eiseres] . 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  3. In het tussenvonnis van 28 augustus 2019 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat uit het rapport van 17 mei 2019 van het International Juridisch Instituut (IJI) volgt dat [gedaagde] in ieder geval - ongeacht zijn persoonlijke financiële situatie - 110 Bahar Azadi gouden munten dient te voldoen aan [eiseres] en, indien hij niet voldoet aan die veroordeling, een bedrag van € 30.
  4. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat uit het IJI-rapport volgt, dat vanaf 110 Bahar Azadi gouden munten (ongeveer € 30.000), kan worden geprocedeerd over het meerdere waarbij de rechter rekening kan houden met de draagkracht en het vermogen van de man en een betalingsregeling tot de mogelijkheden behoort. Nu de draagkracht en het vermogen van [gedaagde] naar het toepasselijke Iraanse recht van invloed kunnen zijn op de betaling van het meerdere boven 110 gouden munten - en in dit geval de vordering vele malen hoger is dan 110 gouden munten - is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om alsnog inzicht te geven in zijn draagkracht en in zijn vermogenspositie en aan de hand daarvan een concreet voorstel te doen voor de aflossing van het restant van de bruidsgave in termijnen. Vervolgens heeft [gedaagde] een akte genomen, waarop [eiseres] bij akte heeft gereageerd. 2.
  5. De rechtbank moet dus nog beoordelen (zie ook r.o. 2.6 en 2.7 van het tussenvonnis) of voor het bedrag dat 110 Bahar Azadi gouden munten (dan wel € 30.000) te boven gaat een betalingsregeling kan worden vastgesteld. 2.
  6. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn betoog dat over het meerdere verplicht in Iran dient te worden geprocedeerd. In het IJI-rapport (zie r.o. 2.2 van het tussenvonnis) staat dat hierover ‘in rechte’ kan worden geprocedeerd, waaruit de rechtbank afleidt dat ook buiten Iran kan worden geprocedeerd over de bruidsgave. De stukken van [gedaagde] , zoals een brief van zijn advocaat, geven evenmin steun aan zijn betoog dat hierover enkel in Iran zou kunnen worden geprocedeerd. 2.
  7. Ook het betoog van [gedaagde] dat een betalingsregeling voor de gehele bruidsgave kan worden vastgesteld en niet alleen voor het meerdere, verwerpt de rechtbank. Het IJI heeft op dit punt onder meer geconcludeerd ‘De vrouw houdt recht op een bruidsgave van 110 goudstukken maar over hogere bedragen dient te worden geprocedeerd. Is de man niet in staat om het bedrag te voldoen, dan kan worden voorzien in een aflossingsregeling op basis van betalingstermijnen’ en ‘Het ‘surplus’ kan zo nodig worden voldaan in termijnbetalingen’. Die bevindingen van het IJI laten geen ruimte voor een betalingsregeling voor de gehele bruidsgave. Ook op dit punt heeft [gedaagde] geen stukken in het geding gebracht die zijn standpunt onderbouwen. 2.
  8. [gedaagde] stelt dat hij niet over draagkracht beschikt en dat hij een bedrag van € 65 per maand als aflossing kan voldoen. [gedaagde] heeft een door hem opgesteld overzicht van zijn lasten, enkele mutatieoverzichten van zijn bankrekening, een salarisspecificatie uit 2019 en zijn jaaropgave over 2018 in het geding gebracht. Daarmee heeft hij onvoldoende inzage gegeven in zijn vermogenspositie en de door hem opgegeven lasten. De rechtbank kan op grond van de salarisspecificatie en jaaropgave wel vaststellen dat [gedaagde] een inkomen geniet van ongeveer € 2.200 netto per maand waaruit hij het bedrag van de bruidsgave kan voldoen als een betalingsregeling wordt vastgesteld. Daarom zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen, waarvan 110 Bahar Azadi gouden munten (dan wel € 30.000) is verschuldigd binnen veertien dagen na dit vonnis en het restant in termijnen. Gelet op het inkomen van [gedaagde] en de omstandigheid dat hij onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over zijn vaste lasten, zal de rechtbank voor de betalingsregeling aansluiting zoeken bij het door [eiseres] berekende bedrag van € 625 per maand. [gedaagde] zal dit bedrag maandelijks aan [eiseres] dienen te voldoen, totdat het volledige bedrag is betaald. 2.
  9. Anders dan [eiseres] heeft betoogd, staat daaraan niet in de weg dat [gedaagde] geen verzoek tot het vaststellen van een betalingsregeling heeft ingediend. Het Iraanse recht biedt de mogelijkheid dat ten aanzien van een deel van de te betalen bruidsgave een betalingsregeling wordt vastgesteld. Het staat de rechtbank aldus vrij, indien betaling van een bruidsgave wordt gevorderd, te beslissen over de wijze waarop die bruidsgave wordt voldaan. 2.
  10. De rechtbank ziet geen wettelijke basis voor het opleggen van wettelijke rente, gelet op het bijzondere karakter van de bruidsgave die niet op één lijn kan worden gesteld met een reguliere betalingsverplichting naar Nederlands recht. 2.
  11. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing De rechtbank 3.
  12. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen 1200 Bahar Azadi gouden munten en een hoeveelheid goud ter waarde van € 1.243,84, waarvan 3.1.
  13. 110 Bahar Azadi gouden munten dan wel € 30.000 (dertigduizend euro) binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis is verschuldigd en 3.1.
  14. het restant, te weten 1090 Bahar Azadi gouden munten en een hoeveelheid goud ter waarde van € 1.243,84 dan wel in totaal € 342.008,55 (driehonderdtweeënveertigduizend acht euro en vijfenvijftig eurocent) is verschuldigd in maandelijkse termijnen van € 625 totdat het volledige bedrag aan [eiseres] is betaald, 3.
  15. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  16. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 3.
  17. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari
  18. type: CEPH coll: MCHB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.