RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/659038-19 Datum uitspraak: 25 maart 2020 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2020. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kersten en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. J.T. Brassé naar voren hebben gebracht. De zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/659037-19) is door de rechtbank gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld. 2Tenlastelegging Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat zij zich samen met een ander of anderen, dan wel alleen, (op tijdstippen) in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2018 schuldig heeft gemaakt aan meerdere - met elkaar samenhangende - feiten, te weten: 1. oplichting van International Card Services (ICS) en klanten van deze rechtspersoon (artikel 326 Sr); 2. diefstal door middel van een valse sleutel, door zich met een pinpas van [persoon 1] wederrechtelijk geldbedragen toe te eigenen (artikel 311 Sr); 3. het online wijzigen van gegevens van twee cardhouders van ICS, te weten [persoon 2] en [persoon 3] (artikel 350a Sr); 4. het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel, namelijk van softwareprogramma’s die worden gebruikt om computervredebreuk mee te plegen (artikel 138d Sr); 5. computervredebreuk door het binnendringen van een geautomatiseerd werk, namelijk webportals van klanten van ICS (artikel 138ab Sr). De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie acht bewezen dat verdachte zich als medepleger aan de 5 ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt, zoals nader uiteengezet in het op schrift gestelde requisitoir. Verdachte bevond zich, samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), in haar woning op het adres [adres 2] , toen daar een frauduleuze bestelling werd afgeleverd van de Mediamarkt, betaald met de creditcard van [persoon 2] . Bij binnentreden van de politie bevonden beiden zich in de slaapkamer van verdachte alwaar ook het pakket stond, dat deels was uitgepakt. In de woonkamer stonden twee in werking zijnde laptops. Een onafhankelijke getuige heeft - onder meer - verklaard dat [medeverdachte] achter de laptops zat. [medeverdachte] was geregeld bij verdachte. Alle incidenten die betrekking hebben op cardhouders van ICS, zoals vermeld in de aangiften en die terugkomen in de onder 1 t/m 3 ten laste gelegde feiten, zijn direct naar beide laptops te herleiden en naar het adres [adres 2] . Op de laptops stonden e-mailaccounts open met diverse bestellingen op naam en rekening van creditcardhouders. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting van ICS, onder meer door binnen te dringen in de Webportals van cardhouders. Tevens kan worden bewezen wat onder 4 en 5 ten laste is gelegd. Verdachte heeft met het oogmerk om computervredebreuk te plegen, specifieke computerprogrammatuur voorhanden gehad. Op beide laptops stonden diverse softwareprogramma’s, waaronder Sendblaster, waarmee bulk- email berichten kunnen worden verstuurd. Hierin trof men lijsten aan met duizenden e-mail adressen, verzonden phishing e-mail berichten naar onder meer banken en meerdere (templates) voor phishing berichten. Ook de op de laptops aanwezige programma’s Havij en Filezilla hebben bijgedragen aan de gepleegde computervredebreuk, te weten het binnendringen van Webportals. Ook zijn gegevens van cardhouders gewijzigd door frauduleus in te loggen op hun Webportals. Op de Acer laptop bevond zich persoonlijke informatie van zowel verdachte als [medeverdachte] en ontbrak het aan dagelijkse normale programma’s. [medeverdachte] is aanwezig geweest bij een pintransactie in de Bijenkorf met een pinpas van [persoon 1] , een cardhouder die slachtoffer is geworden van phishing en van wie op de Acer laptop sporen zijn gevonden, onder meer van andere bestellingen. Daarbij komt dat verdachte en [medeverdachte] in een WhatsApp gesprek over pinnen met de card van een ander spreken. Verdachte heeft alle betrokkenheid bij de feiten ontkend. De op de zitting door verdachte afgelegde verklaring dat de Acer laptop eind 2017 aan [persoon 4] is verkocht en dat [persoon 4] op 29 maart 2018 in de woning van die laptop gebruikt heeft gemaakt, is volstrekt ongeloofwaardig en afgestemd op het dossier. Verdachte heeft geen geloofwaardige te toetsen verklaring afgelegd voor de tegen haar sprekende feiten en omstandigheden. Ten aanzien van het medeplegen gaat het Openbaar Ministerie uit van een groter netwerk. Alhoewel niet exact duidelijk is wie welke handelingen op de laptops heeft verricht, kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking en van een bepaalde rolverdeling. Verdachte nam het pakketje aan wat [medeverdachte] had besteld met behulp van de laptop. Dezelfde laptop werd ook door verdachte gebruikt. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft in haar pleitnota, kort gezegd naar voren gebracht dat verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken. De link tussen verdachte en de beschuldigingen wordt door de officier van justitie te ver opgerekt. De feiten zijn allemaal direct gelinkt aan het adres van verdachte, [adres 2] . Aan het feit dat verdachte het pakket van Mediamarkt heeft aangenomen op 29 maart 2018, moet niet teveel waarde worden toegekend. Ditzelfde geldt voor de verklaring van getuige [getuige] en gebruikte IP-adressen en telefoonnummers. Verdachte woonde op kamers en wist niet wat er in de woonkamer gebeurde. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode gebruik heeft gemaakt van de laptops. Al met al zijn er onvoldoende omstandigheden om vast te kunnen stellen dat zij enige rol heeft gehad bij oplichtings- danwel phishing handelingen of dat zij daar überhaupt van op de hoogte was. Dit geldt ook voor het pinnen met de pas van [persoon 1] door [medeverdachte] . Zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, is de Acer laptop eind 2017 aan [persoon 4] verkocht. [persoon 4] kwam vaker over de vloer op [adres 2] , zo ook op 29 maart 2018. Verdachte heeft dit niet eerder verklaard omdat zij zeer geschrokken was van de beschuldigingen. 4.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 1, 3 en 4 bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. 4.3.1. Vrijspraak van het onder 2 en 5 ten laste gelegde De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat onder de feiten 2 en 5 is ten laste gelegd, zodat verdachte van die feiten wordt vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 bevat het dossier geen aanknopingspunten die duiden op directe betrokkenheid van verdachte bij de diefstal door middel van een valse sleutel, ofwel de pintransactie bij de Bijenkorf met een bankpas van [persoon 1] . Er zijn ook onvoldoende aanwijzingen dat verdachte in de ten laste gelegde periode een actieve betrokkenheid heeft gehad bij het daadwerkelijk binnendringen van Webportals van een of meer klanten van ICS, zoals ten laste gelegde onder feit 5. 4.3.2. Partiële vrijspraak feit 1 Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het niet bewezen dat ICS voor meer dan € 2.969,- is opgelicht, namelijk de waarde van de MacBook die op 29 maart 2018 werd afgeleverd en was besteld op naam en rekening van [persoon 2] . De overige bedragen zijn herleidbaar naar bestellingen op naam van ICS cardhouders [persoon 5] , [persoon 3] en [persoon 6] . De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen dat verdachte op enigerlei wijze directe betrokkenheid heeft gehad bij uit hun naam en/of in hun hoedanigheid gedane bestellingen, zodat verdachte wordt vrijgesproken van het bewegen van ICS tot de afgifte van die overige geldbedragen. 4.3.3 Nader bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 Op grond van navolgende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte zich als medepleger aan deze feiten heeft schuldig gemaakt. Vaststaande feiten Het opsporingsonderzoek 13SINOPESA is gestart op 27 maart 2018 naar aanleiding van een melding van de onderzoeksafdeling fraudedetectie van International Card Services B.V. dat er mogelijk een frauduleuze transactie en pogingen daartoe had(den) plaatsgevonden ten laste van een creditcard van cardhouder [persoon 2] . Hierop heeft ICS de Mediamarkt benaderd vanwege een op 27 maart 2018 geplaatste bestelling van een MacBook Pro, met als afleveradres [adres 2] . [persoon 2] heeft gereageerd op een phishing e-mail. Zij heeft geen bestelling gedaan en geen wijzigingen doorgevoerd op haar Webportal, daags voor de bestelling. ICS doet hierop een eerste maal aangifte van fraude. Na contact met het Openbaar Ministerie wordt besloten om het pakket gecontroleerd te laten afleveren op het adres [adres 2] . Daartoe wordt de woning op 29 maart 2018, de dag dat het pakket zal worden afgeleverd, geobserveerd. Geobserveerd wordt dat verdachte op actieve wijze het pakket op straat overneemt van de postbezorger en meeneemt in haar woning [adres 2] . De politie treedt een half uur later binnen en treft verdachte en [medeverdachte] aan in haar slaapkamer samen met een geopende doos van de Mediamarkt. De doos met daarin een Mac Book Pro is uit eerdergenoemde doos gehaald en op de pakbon staan de door Mediamarkt opgegeven bestelgegevens. Verdachte - destijds de vriendin van [medeverdachte] - erkent dat zij het pakket heeft geopend. Ook [medeverdachte] erkent dat hij het (deels geopende) pakket heeft gezien. In de woonkamer van de woning (alwaar verdachte woont met drie anderen) staan twee in werking zijnde laptops; een Acer en een Sony. Op deze laptops staan e-mail accounts open met berichten die wijzen op bestellingen bij (web)winkels op naam van diverse personen. Verdachte en [medeverdachte] worden hierop aangehouden. Gedurende de aanwezigheid van de politie in de woning wordt aangebeld door twee mannen, naar later blijkt [persoon 7] en [persoon 8] . [persoon 8] verklaart dat [persoon 7] ‘even snel iets kwam ophalen’ op het adres [adres 2] . [medeverdachte] verbleef geregeld op [adres 2] . Huisgenote [getuige] heeft verklaard dat zij de laptops op 29 maart 2018 heeft gezien, dat zij [medeverdachte] de dag voor de aanhouding achter ‘de laptop’ heeft zien zitten en dat niemand pakketjes die aan haar gericht zijn, opent. Er is nader onderzoek verricht naar de op de laptops aanwezige gegevens, programma’s en de openstaande e-mail accounts. Hieruit komt naar voren dat meerdere - geslaagde - bestellingen zijn gedaan en in vele gevallen betreft het opgegeven afleveradres [adres 2] . Uit gegevens op de Acer laptop wordt duidelijk dat op 26 maart 2018 op de Webportal het telefoonnummer van [persoon 2] is veranderd. De in de drie aangiften van ICS opgesomde incidenten zijn te koppelen aan gegevens op de laptops met betrekking tot frauduleuze bestellingen. Niet kan worden vastgesteld vanaf welke locatie de bestellingen zijn gedaan omdat de wisselende IP-adressen daartoe geen duidelijkheid verschaffen. Op de Acer laptop staat persoonlijke informatie van zowel verdachte als [medeverdachte] . Beide laptops kenmerken zich door de afwezigheid van dagelijkse, normale bestanden. Conclusies Op grond van bovenstaande vaststellingen en onderzoeksresultaten gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en anderen het oogmerk hebben gehad om ICS op te lichten. Aanvullend overweegt de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte] bij de bewezen verklaarde oplichtingsmiddelen als volgt. Verdachte heeft op actieve wijze het pakket van Mediamarkt in ontvangst genomen door de postbezorger op straat tegemoet te lopen. Hieruit maakt de rechtbank op dat zij het pakket wilde afvangen en dat de leverdatum haar bekend was. De geopende doos wordt in haar slaapkamer aangetroffen, waar zij zich op dat moment met [medeverdachte] bevindt. Zoals eerder vermeld worden op de tafel in de woonkamer de twee laptops aangetroffen. Beide verdachten hadden beschikkingsmacht over de laptops. Persoonlijke berichten op de Acer laptop van zowel verdachte als [medeverdachte] tonen aan dat beiden van deze laptop gebruik hebben gemaakt. Verdachten spreken dit niet tegen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter zitting met betrekking tot de verkoop van de Acer laptop aan ene [persoon 4] en het gebruik van de laptop door [persoon 4] op de dag van de aanhouding, niet reëel en ongeloofwaardig. Deze lezing is door verdachte pas op zitting naar voren gebracht en niet te controleren. Bovendien is de verklaring ten aanzien van de datum van verkoop inconsistent. Persoonlijke informatie van verdachte op de Acer laptop dateert van maart 2018. Dit strookt niet met de bewering van verdachte dat de laptop eind 2017 aan [persoon 4] is verkocht. Er is geen enkel bewijsmiddel dat de verklaring van verdachte ondersteunt, zodat deze terzijde wordt geschoven. Ook indien de door verdachte ter zitting genoemde [persoon 4] wel betrokken was, dan maakt dat het oordeel over de rol van verdachte als medepleger van de ten laste gelegde feiten onder 1, 3 en 4 niet anders. Opvallend is verder dat op de laptops geen dagelijkse gewone programma’s stonden. Dit maakt dat de rechtbank het aannemelijk acht, mede gezien de aanwezige e-mails en (resultaten van) phishing programma’s, dat deze laptops enkel in gebruik waren voor het plegen van internetfraude. Het staat voor de rechtbank vast dat persoonlijke gegevens van ICS cardhouder [persoon 2] middels phishing zijn verkregen. Vervolgens is meermalen ingelogd op de Webportal van [persoon 2] en is haar telefoonnummer gewijzigd. Daarna is op rekening van [persoon 2] een bestelling geplaatst bij de Mediamarkt, met als afleveradres [adres 2] en onder vermelding van het gewijzigde telefoonnummer. Ook bij andere bestellingen is afleveradres [adres 2] opgegeven, al kan directe betrokkenheid van verdachte bij die bestellingen niet worden bewezen. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de gedragingen van verdachte en [medeverdachte] naar de uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op het medeplegen van oplichting/fraude. Zij hebben een valse hoedanigheid aangenomen, namelijk die van rechtmatige creditcardhouders en hebben zo ICS bewogen tot de afgifte van een geldbedrag. Het veranderen van de cardgegevens van [persoon 2] heeft bijgedragen aan de gepleegde oplichting, zodat de rechtbank het medeplegen van feit 3 eveneens bewezen acht. De rechtbank acht feit 4, het voorhanden hebben van software hoofdzakelijk geschikt tot het plegen van misdrijven, eveneens bewezen nu verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (en mogelijk nog anderen) beschikkingsmacht hadden over de meergenoemde laptops in de woning. Voortgezette handeling Het opzettelijk en wederrechtelijk veranderen van computergegevens op de Webportal van cardhouder [persoon 2] , ten laste gelegd onder feit 3 is volgens de rechtbank een gedraging die evengoed aangemerkt kan worden als een oplichtingsmiddel, omdat deze diende om de onder 1 bewezen geachte oplichting voor te bereiden/ mogelijk te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat feit 1 als voortgezette handeling van feit 3 moet worden aangemerkt, in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht. Er is sprake van elkaar in tijd opvolgende gedragingen die, ook ten aanzien van het wilsbesluit (het oplichten van ICS middels frauduleuze bestellingen), zo nauw met elkaar samenhangen dat verdachte daarvan (in wezen) één verwijt kan wordt gemaakt (zie onder meer: ECLI:NL:HR:2017:1113). 4.3.4. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen Zoals eerder overwogen acht de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm bewezen dat de laptops zijn gebruikt bij de internetfraude en dat de gedragingen zowel aan verdachte, [medeverdachte] maar ook aan anderen kunnen worden toegerekend. Er is sprake geweest van een bepaalde rolverdeling. Het adres van verdachte werd gebruikt als bezorgadres en zij nam pakketjes in ontvangst. Zij heeft het pakket van de Mediamarkt in aanwezigheid van verdachte geopend. Verdachte en [medeverdachte] waren dikwijls samen aanwezig op [adres 2] . Er stonden twee in werking zijnde laptops op tafel, waar beiden beschikkingsmacht over hadden en waarop persoonlijke informatie van verdachte en [medeverdachte] werd aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond hiervan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het is dan ook voor de rechtbank van ondergeschikt belang dat niet exact kan worden vastgesteld wie, [verdachte] , [medeverdachte] of anderen op welke momenten de laptop(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.