vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 7928299 CV EXPL 19-16091 vonnis van: 31 maart 2020 fno.: 393 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap Santander Consumer Finance Benelux B.V. gevestigd te Utrecht eiser gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn t e g e n [gedaagde partij] wonende te Amsterdam gedaagde niet verschenen Verloop van de procedureBij exploot van dagvaarding van 17 juli 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,00 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven. Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend. Bij tussenvonnis van 27 augustus 2019 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om het bijgevoegde informatieformulier in te vullen en dit ingevulde formulier en de daarin aangeven stukken in het geding te brengen, en een kopie hiervan aan gedaagde partij te sturen met de mededeling dat deze hierop kan reageren. Eisende partij heeft op 24 september 2019 een akte ingediend. Gedaagde partij heeft niet gereageerd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Vordering Eisende partij vordert betaling van € 500,00 aan hoofdsom, vermeerderd met bedongen rente en kosten. Gedaagde partij is consument, althans wordt vermoed consument te zijn. Eisende partij heeft bij dagvaarding onder meer het informatieformulier ingevuld. Zij stelt kort het volgende. Partijen hebben een kredietovereenkomst gesloten in de Media Markt. Media Markt is een aangesloten bemiddelaar van Santander. Bij het aangaan van de kredietovereenkomst is aan de precontractuele en contractuele informatie-verplichtingen voldaan en is de kredietwaardigheid van gedaagde partij getoetst. Er is een zogenaamde VFN-normberekening gemaakt om vast te stellen of het verstrekken van het krediet Volgens eisende partij heeft zij voorafgaand aan de overeenkomst een zogenaamde VFN-normberekening gemaakt om vast te stellen of het vertrekken van het krediet wel verantwoord was. Eisende partij verwijst naar het als productie overgelegde “standaard informatieblad Comfort lease” en een print-screen van een krediettoets (“affordability analysis”). Gedaagde partij is ook na herhaalde aanmaning in gebreke gebleven met betalingen van een of meer termijnbedragen. Omdat er niets werd betaald heeft eisende partij conform haar toepasselijke algemene voorwaarden het gehele restant verschuldigde geheel en ineens opgeëist. Het totaal uit hoofde van deze overeenkomst nog verschuldigde saldo bedraagt per 7 februari 2019 € 636,42.Eisende partij heeft ook na vervroegde opeising van het krediet geen betaling ontvangen. Gedaagde partij is vanaf 8 februari 2019 de bedongen vertragingsrente over het vervroegde opgeëiste kredietsaldo verschuldigd. Deze bedongen vertragingsrente is geen oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen. Eisende partij heeft haar vordering beperkt tot € 500,00, vermeerderd met de bedongen rente van 9,10% per jaar. Eisende partij heeft als productie onder meer een kopie van de kredietovereenkomst, de algemene voorwaarden, een kopie van het standaard informatieblad Comfort Lease, de ingebrekestelling en opeisingsbrief overgelegd. Bij akte verwijst eisende partij naar hetgeen zij bij dagvaarding heeft gesteld. Beoordeling Partijen hebben op 28 februari 2018 een kredietovereenkomst gesloten in de Media Markt, voor een bedrag van € 759,00 met een looptijd van 24 maanden. Het termijnbedrag bedroeg € 34,71 per maand, de overeengekomen rente 9.50% per jaar. Goederenkrediet? Het krediet is gebruikt voor de aankoop van “Telecom” in de Media Markt. Eisende partij heeft gedaagde partij niet zelf het genot van de zaak verschaft en er is naar het oordeel van de kantonrechter ook geen sprake van een commerciële eenheid in de zin van artikel 7:57 lid 5 BW; in de overeenkomst is weliswaar een bestedingsdoel genoemd (“Telecom”), maar dit bestedingsdoel ziet niet op de levering van een bepaald goed, zoals bijvoorbeeld een televisie van een bepaald merk. Mitsdien is onderhavige kredietovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter geen goederenkrediet, ook al staat op de overeenkomst vermeld: “overeenkomst niet doorlopend goederenkrediet”.Op het door eisende partij overgelegde standaard informatieblad staat vermeld: Comfort lease”, maar niet gesteld of gebleken is dat er hier sprake is van een lease overeenkomst. Op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst zijn de bepalingen van de titel 7:2A BW van toepassing. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 87/102/EEG om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplichten de nationale bepalingen waarin de richtlijnen zijn omgezet, ambtshalve toe te passen (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van titel 2A boek 7 BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet. Precontractuele verplichtingen Op grond van artikel 7:60 BW dient gedaagde partij door eisende partij geruime tijd voordat hij is gebonden aan de onderhavige kredietovereenkomst te worden geïnformeerd over de belangrijkste kenmerken van het krediet en over de overige informatie zoals opgenomen in het Europese standaard informatieformulier inzake consumenten krediet. Eisende partij heeft een kopie van standaard informatieblad “comfort lease niet doorlopend krediet” overgelegd waarin de belangrijkste kenmerken van het krediet zijn opgenomen. Dit informatieblad is gedateerd op 28 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.