vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 8219493 CV EXPL 19-25699 vonnis van: 2 april 2020 fno.: 991 vonnis van de kantonrechter i n z a k e ANWB B.V. gevestigd te 's-Gravenhage eisende partij gemachtigde: A. Niekus t e g e n [gedaagde partij] wonende te [plaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Bij dagvaarding van 12 oktober 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van € 45,00 aan hoofdsom, met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven. Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Gronden van de beslissing Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Daaraan voldoet de dagvaarding niet. Eisende partij stelt bij dagvaarding in essentie niet meer dan dat gedaagde partij op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst gehouden is om de factuur aan eisende partij te voldoen. Op grond van de algemene voorwaarden van eisende partij is gedaagde partij gehouden de factuur binnen de daarop vermelde betaaltermijn te voldoen, aldus eisende partij. Om de vordering te beoordelen moet de kantonrechter beschikken over alle feiten en stukken die voor de beslissing in deze consumentenzaak van belang zijn. Welke feiten en stukken dat zijn, kan onder meer worden afgeleid uit de vragen van het door deze rechtbank op de website beschikbaar gestelde en in de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019 bij tussenvonnis aan repeatplayers - waaronder de gemachtigde van eisende partij - verstrekte informatieformulier voor consumentenverstekzaken, maar volgt ook uit de wet. Alle in dat formulier gevraagde informatie moet worden verstrekt en alle daarin aangegeven stukken moeten worden overgelegd, daar waar nodig voorzien van een toelichting. Gesteld noch gebleken is op welke datum en op welke wijze de onderliggende overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De overeenkomst (of een bevestiging daarvan) en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden waarnaar eisende partij verwijst niet zijn overgelegd. Eisende partij overlegt bij dagvaarding alleen de gevorderde factuur, een kennelijk daarbij behorende onderliggende factuur en een veertiendagenbrief. Geoordeeld wordt dat eisende partij niet alle voor de beoordeling van belang zijnde informatie heeft gesteld en de vordering onvoldoende heeft onderbouwd met onderliggende stukken. Hierdoor kan de kantonrechter niet ambtshalve beoordelen of eisende partij heeft te voldoen, en zo ja, heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 Burgerlijk Wetboek, zoals de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. Voorts kan niet ambtshalve worden beoordeeld of de vordering gebaseerd is op onredelijk bezwarende bedingen, terwijl de kantonrechter daartoe gehouden is op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie (4 juni 2009, C 243/08, punt 32) en de Hoge Raad (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691). Eisende partij stelt en onderbouwt hierover niets. De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen als zijnde onvoldoende onderbouwd. Beslissing De kantonrechter: wijst de vordering af; veroordeelt eisende partij in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij tot op heden worden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.