← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:2020

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/009264-19 RK: 20/11 Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van: [veroordeelde] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , [plaats] , veroordeelde. 1Het procesverloop Het bezwaarschrift is op 2 januari 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 28 februari 2020 de officier van justitie, mr. J. van der Meij, in besloten raadkamer gehoord. Veroordeelde is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. 2Inhoud van het bezwaarschrift Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank. Klager is van mening dat de procedure tot DNA-afname niet goed is verlopen. Hij meent dat DNA moet worden afgenomen als er geen andere middelen zijn geconsumeerd, want drugs blijft nog enige tijd in het menselijk lichaam en kan nog zichtbaar zijn bij DNA (speeksel) afname. 3Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. 4De beoordeling Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Bij bevel van 9 mei 2019 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel. Op 19 december 2019 is het celmateriaal van veroordeelde afgenomen. Het bezwaarschrift is op 2 januari 2020 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van de Wet genoemde termijn van veertien dagen. Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in zijn bezwaar. Als grondslag van het bevel heeft gediend het vonnis van 23 april 2019 van de politierechter van deze rechtbank, waarbij veroordeelde ter zake van mishandeling (artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur. De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank stelt vast dat artikel 300 Sr, waarvoor veroordeelde tot een taakstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv. Aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 1, onder c van de Wet is derhalve voldaan. De rechtbank heeft geconstateerd dat veroordeelde niet in besloten raadkamer op 28 februari 2020 is verschenen. Van de bode heeft de rechtbank vernomen dat veroordeelde niet kon verschijnen en dat hij heeft gevraagd of de zaak op een ander moment behandeld kon worden. De rechtbank heeft toen niet vernomen om welke reden veroordeelde niet kon verschijnen. De rechtbank heeft vervolgens veroordeelde per mail aangezegd dat hij de gelegenheid krijgt om de reden van verhindering toe te lichten en om aan te geven of hij zijn bezwaar nader wil toelichten op zitting. Deze e-mail is op 2 maart 2020 verstuurd en veroordeelde heeft tot en met 9 maart 2020 de mogelijkheid gekregen om te reageren op deze e-mail. In de e-mail is opgenomen dat de rechtbank bij gebreke van een reactie van veroordeelde begrijpt dat hij afziet van een nadere behandeling in besloten raadkamer en dat op basis van de stukken zal worden beslist op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft geen reactie van veroordeelde ontvangen. De rechtbank is op basis van de stukken in het dossier van oordeel dat in het onderhavig geval de procedure tot DNA-afname wel volgens de regels is verlopen. De rechtbank ziet geen reden om het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Nu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet zich hier niet voordoen, zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren. De rechtbank komt tot de volgende beslissing. 5Beslissing De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. R.C.J. Hamming, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020. Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.