RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752218-19 RK nummer: 19/7168 Datum uitspraak: 19 maart 2020 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2019 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1968, ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres: [adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 14 februari 2020 De vordering zou aanvankelijk worden behandeld op de openbare zitting van 14 februari
- De opgeëiste persoon en de raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, waren voor die zitting opgeroepen. Mr. Pijnenburg had echter laten weten dat de opgeëiste persoon bijstand wenste van mr. A. Carli, advocaat te Roermond. Zij was op 14 februari 2020 vanwege verplichtingen elders niet in de gelegenheid om naar de rechtbank Amsterdam te komen en heeft om die reden een aanhoudingsverzoek gedaan. De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek gehonoreerd en het onderzoek ter zitting geschorst. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Zitting 5 maart 2020 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 maart
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Carli. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Duitse nationaliteit heeft. 3Heropening en schorsing van het onderzoek Op de zitting van 5 maart 2020 is aan de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw meegedeeld dat op 19 maart 2020 een uitspraak zal worden gedaan waarin op het overleveringsverzoek zal worden beslist. Gelet op de maatregelen die met ingang van 17 maart 2020 door de Rechtspraak zijn genomen in verband met de uitbraak van het coronavirus, zal de rechtbank het onderzoek heropenen om op een later moment - na 6 april 2020, zijnde de datum tot wanneer de landelijke maatregelen van kracht zullen zijn - te sluiten en uitspraak te doen. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw zullen te zijner tijd worden geïnformeerd over de datum waarop de rechtbank een uitspraak zal doen op het verzoek tot overlevering. 4Beslissing HEROPENT EN SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, maar in ieder geval tot na 6 april 2020, in afwachting van de ontwikkelingen omtrent het coronavirus en de daarmee samenhangende maatregelen die door de Rechtspraak zijn genomen, dan wel de aanvullende maatregelen die nog zullen worden genomen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen uitspraakdatum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw. Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 maart
- De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.