vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/680956 / KG ZA 20-239 CdK/MAH Vonnis in kort geding van 2 april 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser bij dagvaarding van 17 maart 2020, advocaat mr. R.J. Neijenhof te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, verschenen in persoon. Partijen zullen hierna ook de man en de vrouw worden genoemd. 1De procedure 1.1. Op de zitting van 26 maart 2020 was [eiser] aanwezig met zijn advocaat. [gedaagde] is in persoon verschenen. 1.2. [eiser] heeft de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, met conclusie tot aanhouding van de beslissing totdat zij een woning in Amsterdam toegewezen heeft gekregen of tot de school en voorschool (die nu in verband met de Coronacrisis zijn gesloten) van de kinderen weer beginnen. Beide partijen hebben stukken in het geding gebracht. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad van september 2011 tot juli 2018. Partijen hebben twee kinderen:- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2013, en - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2018. De man heeft de kinderen erkend. Partijen hebben gezamenlijk gezag. De kinderen zitten in [woonplaats] op school respectievelijk voorschool. 2.2. Partijen hadden een LAT-relatie. De man woont in een koophuis in [woonplaats] , de vrouw woont met de kinderen in een gezamenlijk gehuurd huis aan de [adres] in [woonplaats] . 2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 20 december 2019 is: - bepaald dat partijen ook over [minderjarige 2] gezamenlijk gezag hebben (voor [minderjarige 1] was dat al eerder zo), - een zorgregeling vastgesteld, die voor zover relevant inhoudt: - de kinderen zijn (vanaf begin februari, na een opbouwperiode) elke week van zondag 8:30 uur tot maandag 18:30 bij de man, waarbij de man haalt en brengt, - schoolvakanties van twee weken of langer: de kinderen zijn de helft van de vakantie bij de man; in overige vakanties geldt de reguliere zorgregeling. Tegen de beschikking is geen hoger beroep ingesteld. 2.4. Per e-mail van 8 januari 2020 heeft de man de vrouw bericht dat hij niet akkoord is met haar voorgenomen verhuizing met de kinderen naar de Achterhoek. Op 13 januari 2020 heeft de vrouw per e-mail aan de man bericht dat zij met ingang van 15 april 2020 een huis heeft gevonden in [woonplaats] in de Achterhoek en daarheen met de kinderen gaat verhuizen. Zij schrijft verder: “Vanuit daar ga ik verder met zoeken naar een andere definitieve woning in [woonplaats] . Voor de zomer hoop ik daar iets gevonden te hebben. Ik heb inmiddels een aardig netwerk in die omgeving dus ik heb er alle vertrouwen in dat dat gaat lukken. Als niet, kan ik zo lang in [woonplaats] blijven als ik wil of nodig is.” 2.5. Bij e-mail van 19 februari 2020 heeft de advocaat van de man aan de vrouw bericht dat de man ook niet instemt met een tijdelijke verhuizing uit [woonplaats] en omgeving. Bij e-mail van 20 februari 2020 heeft de vrouw geantwoord: “(…) Uw cliënt weet al tweeënhalf jaar dat ik onvoldoende draagkracht heb om de huur van de woning te dragen. (…)Uit uw mail maak ik op dat uw cliënt ook niet instemt met een tijdelijk verblijf bij familie in de Achterhoek. Waarom niet? En waarom acht hij het noodzakelijk een tijdelijke verhuizing te voorkomen? Wat is de noodzaak precies? Welk kindbelang wordt met dit verbod gediend?Ik wil als vanzelfsprekend graag rekening houden met uw cliënts bezwaren maar dat gaat niet als hij zijn bezwaren niet uit en zich onbereikbaar houdt voor overleg. Zijn starre attitude en continue wisselende voorwaarden zijn geenszins in het belang van de kinderen. (…) Ik verneem graag met spoed wat het bezwaar tegen verblijf bij familie in de Achterhoek is zodat ik (…) verder aan de slag kan met het zoeken naar een passende en duurzame oplossing.” 2.6. De vrouw heeft, in reactie op voorstellen van de man, aan hem bij e-mail van 20 februari 2020 voorgesteld dat de kinderen de eerste week van de meivakantie 2020 bij hem zijn (zaterdag 25 april 9:30 uur tot en met zaterdag 2 mei 9:30 uur) en de tweede week bij de vrouw. Bij e-mail van 6 maart 2020, 15:21 uur heeft de man daarmee ingestemd. Daarop heeft de vrouw om 15:42 uur aan de man gemaild: “Ik denk dat 2x 4 dagen beter past bij wat de jongens aankunnen. (…) Sta je daarvoor open? (…)” . De man heeft om 15:52 uur geantwoord dat hij daarmee niet akkoord gaat en dat hij akkoord is met de eerdere afspraak van 1 week op, 1 week af. 2.7. Bij vonnis van 3 maart 2020 heeft de Kantonrechter van deze rechtbank partijen in conventie en reconventie beiden veroordeeld tot medewerking aan de opzegging van de huurovereenkomst van het huis aan de [adres] in [woonplaats] tegen 1 mei 2020. De vrouw heeft de huur opgezegd per 30 april 2020. 2.8. Bij e-mail van 13 maart 2020 heeft de vrouw aan de man bericht dat zij begin mei naar de [adres] in [woonplaats] zal verhuizen. 2.9. Op 17 maart 2020 heeft de vrouw per e-mail aan de rechtbank en mr. Neijenhof bericht: “(…) Ik verhuis naar de [adres] en niet naar de Achterhoek. (…)”. Een half uur later heeft Mr. Neijenhof haar per e-mail verzocht om hem vóór 12:00 kopie van de huurovereenkomst met betrekking tot de [adres] te sturen. Hij schrijft verder: “Ik zal het dan met cliënt bespreken.Anders dan u schrijft hebt u mij niet meerdere malen schriftelijk bevestigd niet te zullen verhuizen uit [woonplaats] eo. (…) Tevens verzoek ik u mij schriftelijk heden vóór 12 uur te bevestigen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de Meivakantie van 25 april 2002 9.30 uur tot en met 2 mei 2020 9.30 uur bij cliënt zullen zijn.” Daarop heeft [gedaagde] even later per mail geantwoord: “Ik heb de rechtbank reeds geïnformeerd over het gebrek aan spoedeisendheid. Ik heb geen dagvaarding ontvangen en ik verhuis niet naar de Achterhoek. Daar laat ik het bij.” 2.10. De man heeft een cateringbedrijf. De vrouw werkte ook in dat bedrijf, maar staat sinds kort – na een lange periode van ziekte – niet meer op de loonlijst. Zij gaat via het UWV beginnen aan een re-integratietraject. 3Het geschil 3.1. De man vordert: A. de vrouw te veroordelen tot nakoming van de overeengekomen vakantieregeling tijdens de meivakantie, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de meivakantie bij de man zullen doorbrengen van zaterdag 25 april 2020 om 9.30 uur tot en met zaterdag 2 mei 2020 om 9.30 uur, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-, althans een in goede justitie vast te stellen dwangsom; B. de vrouw te verbieden met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verhuizen naar de Achterhoek, althans te verhuizen buiten de regio [woonplaats] en omstreken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of dagdeel, althans een in goede justitie vast te stellen dwangsom; C. primair: de vrouw te veroordelen in de werkelijke proceskosten, met wettelijke rente, subsidiair: de vrouw te veroordelen in de proceskosten volgens het liquidatietarief, met wettelijke rente, met zowel primair als subsidiair: veroordeling van de vrouw in de nakosten. 3.2. De vrouw voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling De verhuizing 4.1. Allereerst zal de vordering betreffende de verhuizing worden beoordeeld. Anders dan de vrouw meent, heeft de man daarbij voldoende spoedeisend belang. Op grond van de uitlatingen van de vrouw (zie hierna) is immers gerede twijfel mogelijk of zij niet toch zonder zijn toestemming met de kinderen zal verhuizen. 4.2. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. Dat betekent onder meer dat de vrouw de voorafgaande toestemming van de man nodig heeft om met hen te verhuizen en om hen op een andere school in te schrijven. In uitspraken van bodemrechters over aan de rechter verzochte vervangende toestemming voor verhuizing is uitgangspunt dat het de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft in beginsel is toegestaan om met het kind te verhuizen om het leven na de scheiding opnieuw in te richten, tenzij de andere ouder in een onredelijke mate zou worden gehinderd om op een aanvaardbaar niveau contact met zijn kind te onderhouden. Verder wordt door de bodemrechter onder meer betrokken de noodzaak tot het verhuizen en de wijze waarop de vertrekkende ex-partner aan de andere ex-partner de zorg voor het kind waarborgt. 4.3. Tot aan de dag van dagvaarding (13 maart 2020) en ook daarna nog heeft de vrouw over haar verhuisplannen wisselende mededelingen gedaan. Blijkens haar e-mail van 20 februari 2020 was op dat moment voor haar de verhuizing naar de Achterhoek nog een optie, hoewel de man haar 8 januari 2020 had gezegd daarmee niet in te stemmen. Pas toen haar het kort geding was aangekondigd, heeft zij de man bij e-mail van 13 maart 2020 medegedeeld dat haar leven “er de komende maanden als volgt uit[ziet]: wij verhuizen begin mei naar de [adres] . Op 600 m loopafstand van school en voorschool.” Dat heeft zij op 17 maart 2020 nog tweemaal stellig bevestigd, ook richting de rechtbank. Vervolgens heeft de vrouw ter zitting, dus 9 dagen later, terloops laten vallen dat de [adres] weer van de baan is. Zij verklaarde toen dat zij, nadat zij de [adres] op 1 mei 2020 zal hebben verlaten, in het huis van haar ouders in [woonplaats] kan verblijven totdat zij een woning in [woonplaats] aangeboden krijgt. Zij zou dan van daaruit de kinderen naar hun huidige (voor)school in [woonplaats] kunnen brengen tot aan de zomervakantie (3 juli 2020). Volgens haar verklaring is de gemeente [woonplaats] al een jaar bezig een woning voor haar te zoeken en is een urgentieverklaring in de maak. Zolang de scholen in verband met de Coronacrisis gesloten zijn wil de vrouw graag met haar kinderen naar familie in de Achterhoek kunnen, zo heeft zij verder verklaard. Niet duidelijk is geworden voor welke periode(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.