RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751453-19 (EAB II) RK nummer: 19/3406 Datum uitspraak: 26 maart 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 december 2016 door de Procureur de la Republique pres le Tribunal de Grande Instance de Lille (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] alias [alias opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag 1] 1985, dan wel op [geboortedag 2] 1989, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieadres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 25 juli 2019 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 juli 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren. De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst voor onbepaalde tijd om – kort gezegd – de officier in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit om opheldering te vragen over de discrepantie tussen het Franstalige EAB en de vertaling daarvan. Zitting 12 maart 2020 Met instemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 25 juli 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de raadsman van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De rechtbank stelt vast dat volgens het EAB de opgeëiste persoon [alias opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag 3] 1989 in [geboorteplaats], Frankrijk is en volgens de vordering van de officier van justitie de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon] is, geboren op [geboortedag 1] 1985 in [geboorteplaats], Frankrijk en het alias van [alias opgeëiste persoon] gebruikt. Bij zijn aanhouding heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij gebruik maakt van beide personalia. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Op verzoek van de officier van justitie heeft de Service de l’Exécution des Peines bij e-mail van 26 juli 2019 – kort gezegd – meegedeeld dat per abuis de vertaling van een ander EAB was meegezonden. Tevens is de (correcte) vertaling van onderhavig EAB bij de e-mail gevoegd. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de discrepantie tussen het Franstalige EAB en de vertaling daarvan is opgehelderd. In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis (op tegenspraak) van de Strafrechtbank te Lille van 22 maart 2012, parketnummer 1134800037. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Bij beslissing van 17 september 2012 is de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf bevolen. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.